WG Economie (Jo Cottenier)

Het socialisme staat opnieuw op de dagorde
Jo Cottenier, studiedienst PVDA

 

Een befaamd professor vroeg zich onlangs af hoe het kapitalisme kan gered worden uit de greep van de kapitalisten. Dat is zoals rugby spelen zonder rugbyspelers merkte PVDA-voorzitter Peter Mertens terecht op in Solidair. Hoe komt een schrander mens zoals professor De Grauwe ertoe om dergelijke nonsens uit te kramen vroeg ik mij af. Een maatschappij zonder kapitalisten, dat is toch het socialisme dacht ik. Tenzij! Tenzij de professor met ‘kapitalisten’ bedoelt de financiële haaien, hedgefunds, private equity funds en andere moderne piraten die het hele financiële systeem ei zo na naar de knoppen hielpen. En die er vandaag opnieuw lustig op los speculeren.

 

Op een dag zoals deze is het wel gepast om te proberen de puntjes op de i te zetten. Als we het hebben over kapitalisten, kapitalisme en socialisme, waar hebben we het dan over? Vandaag is ‘de dag van het socialisme’. Maar wat betekent dat? Kan men antikapitalist zijn zonder tegelijk voor het socialisme te zijn? En hoe ziet het socialisme er dan uit? Dat we een andere maatschappij willen dan die van vandaag, daar zijn we het allen over eens. Maar wat is ‘anders’. Als ik zeg dat ik morgen iets ‘anders’ ga eten, dan weet niemand wat er morgen op mijn bord zal liggen. We willen allen een maatschappij zonder onrecht en uitbuiting, zonder de kwalen van de huidige maatschappij. Laten we het dus eerst proberen eens worden over de bron van die kwalen.

 

Een van de grootste kwalen die vandaag andermaal toeslaat is de economische crisis. Een crisis van formaat deze keer, alleen vergelijkbaar met de crisis van de jaren dertig, daarover bestaat zelfs geen discussie meer. Dé hamvraag in een debat over economie vandaag is: wat is de oorsprong van deze crisis? Ligt ze bij de neoliberale politiek of ligt ze bij het kapitalisme? Ligt ze bij de ontsporingen van het financiële kapitaal of is het een crisis van het systeem? Met andere woorden, willen we een kapitalisme zonder kapitalisten of willen we het socialisme. Staat socialisme voor ‘neokeynesiaanse’ politiek of moeten we terug naar het oorspronkelijke, onvervalste socialistisch ideaal zoals het door Marx werd geformuleerd.

 

Het enige positieve gevolg van deze crisis is dat de goeie oude Marx vandaag terug ontdekt wordt, door vriend maar ook door vijand. Time ziet in 2009 het spookbeeld van Marx over de mistige bergtoppen van Davos hangen: “But hovering out there in the fog, unavoidably, is the towering specter of Karl Marx”. En The Times ziet na ‘het einde van de geschiedenis’ de reputatie van Marx terug stijgen: “Did he get it all right? As financial markets crash, the reputation of Karl Marx soars. So has his time come at last?” We confronteren Marx met een aantal gangbare stellingen over de crisis.

 

1
De eerste, de meest simpele en aantrekkelijke stelling over de crisis luidt: het ligt aan de hebzucht van de bankiers. Toegegeven, we zouden hen graag die eer gunnen. Hun hebzucht is zelfs nog groter dan in de jaren dertig, want toen sprongen ze naar verluid in bosjes van de hoogste daken, vandaag duiken ze in een limousine en zijn ze er vanonder met een gouden parachute van enkele miljoenen dollar of euro. Marco Van Hees haalde de inspiratie voor de flap van zijn boek over de banken waarschijnlijk bij Marx, waar die de kredietgoeroes beschreef als haaien die vissen verslinden en wolven die schapen verscheuren.
Het zit hem dus in de hebzucht van de bankiers. Wie de schuld zoekt in de moraal, moet ook de oplossing zoeken in de moraal. De moraalridders scoren goed op dit ogenblik, de voorstanders van een moreel kapitalisme duiken op onder vele gedaanten. Een van de meest verrassende gedaanten is wel die van de aartsbisschop van München. Zijn naam? Reinhard Marx. Zijn boek? Das Kapital. De man maakt zich zorgen over de verontrustende hoeveelheid problemen die zijn naamgenoot 150 jaar eerder al had beschreven: ‘de groeiende kloof tussen rijk en arm, de onrechtvaardige wereldhandel en de concentratie van kapitaal in handen van enkele superrijken’. Volgens de aartsbisschop kan niemand het verstaan dat iemand vandaag een tweecijferig miljoenenbedrag opstrijkt en morgen verkondigt dat de buikriem nog wat strakker moet aangespannen worden. De Marx anti-Marx is er niet gerust in: als de vrije markteconomie haar tegenstellingen niet kan oplossen, zou de grondlegger van het marxisme wel eens terug kunnen stijgen op de hitparade. Dat is trouwens niet alleen een vrees: das echte Kapital is opnieuw een bestseller in Duitsland.
Onze bekende Belgische professor deelt dezelfde zorg: “Een systeem dat bedrijfsleiders beloont omdat ze mensen ontslaan, graaft zijn eigen graf”, zegt hij. Een pleidooi voor meer ethiek in de economie, voor meer moraal, voor een markteconomie met sociale normen. “Vrije markt ja, maar alstublieft met moraal” luidt het op de preekstoel in München. In zijn boek vraagt hij dat de globalisering van de markten zou gevolgd worden door een globalisering van de gerechtigheid.

 

Voor wie het liever uit de mond van een volbloed ‘socialist’ hoort: “De belangrijkste oorzaak van de crisis is het gebrek aan moraal” beweert oud Frans presidentskandidaat en PS-corifee Michel Rocard. Voor zijn morele kruistocht ziet hij zelfs een bondgenoot in Laurence Parisot, de woordvoerdster van het Franse patronaat: “We hebben gekozen voor de vrije onderneming. Laurence Parisot komt op voor goede, respectabele en integere patroons. Zonder sterke ethiek is er geen kapitalisme meer. Het zal waarschijnlijk nodig zijn dat de publieke orde orde op zaken stelt.”
En daarmee heeft het Franse socialisme de hele weg in omgekeerde richting terug afgelegd, alsof Rocard in de teletijdmachine is gestapt. Terug Marx voorbij, terug naar de utopische socialisten bij het begin van de 19e eeuw, die rekenden op het gezond verstand en de hoogstaande moraal van de kapitaalbezitters om een sociaal rechtvaardige maatschappij uit te bouwen. Marx nam de ideeën van de utopische socialisten terug op om aan te tonen dat de wetten van de economie niet geschapen worden door de moraal, maar dat de moraal bepaald wordt door de wetten van de economie. Voortbouwend op de waardeleer bij Smith en Ricardo ontwikkelde hij de leer van de meerwaarde en de wet van maximum winst, de grondwet van het kapitalisme. Dit hangt zelfs niet van de goede wil af van de kapitalist schreef Marx, het is een dwingende wet van het systeem. Wie niet probeert maximum winst te halen gaat zelf ten onder in de concurrentieoorlog. Dat is de ijzeren wet van het systeem en heeft niets met moraal te maken.

 

Volgens Professor William Buiter van de London School of Economics is ‘het kapitalisme de uitdrukking van de meest fundamentele, beestachtige instincten van de mens: egoïsme en hebzucht’. Marx zag dat anders: “De heersende ideeën van een tijdperk zijn de ideeën van de heersende klasse”. Met andere woorden, het systeem schept zijn eigen normen en waarden: concurrentie op leven en dood, survival of the fittest, de weg naar de top door het verslaan van de tegenstander zijn niet de waarden van de arbeid. Daar is de norm de solidariteit, het collectieve, waarvan de vakbonden als massaorganisaties van de arbeid nog altijd de beste dragers zijn. Wie een maatschappij wil met een andere moraal moet het kapitalisme zelf bestrijden.
Men zal mij antwoorden: daarmee zijn de bankiers nog niet vrijgesproken, want er is winst en woekerwinst.

 

2
De tweede, meer verspreide theorie over de crisis luidt: het ligt aan de financiële uitwassen. Het probleem zit hem dan zogezegd niet in de winstjacht, maar in de ‘korte termijnwinst’, in de woeker. Het is ook een aantrekkelijke stelling, want wiens bloed kookt niet van woede wanneer bedrijven leeggezogen worden door de vampieren van deze tijd om hun beleggers minstens 15% rendement te garanderen. De George Sorossen, Warren Buffetts, de hedge funds en private equity funds zoals KKR, 3i, CVC… Het probleem zit niet bij het kapitalisme maar bij de ontsporing die het resultaat is van de neoliberale politiek. De deregulering van de financiële markten werkte de globalisering van de financiële spelers in de hand en kan daardoor aansprakelijk gesteld worden voor het bandeloos gedrag van bankiers en beleggingsfondsen allerlei. Met andere woorden, de goede orde werd verstoord. Het is de versie van de sociaal-democratie die men breed uitgesmeerd kan vinden in de publicaties van de Europese Socialistische Partij. “De conservatieve ideologie van de vrije markt heeft Europa in crisis gedompeld. Maar deze crisis had vermeden kunnen worden. De gewaagde en buitensporige schuldenpolitiek van de financiële markten is een gevolg van het gebrek aan regulering. (…) De ESP wil een betere functionering van de markten. In onze ogen moet de markt ons dienstbaar zijn en niet domineren.”
De oplossing ligt voor de hand: een nieuwe regulering van de financiële wereld. “De oplossing voor de crisis is de sociaal-democratie, een sociale goed gereguleerde markteconomie.”. En: “Meer dan ooit hebben we een sociaal-democratische regulering nodig van de financiële markten. We mogen nooit meer toelaten dat de financiële markten onze sociale markteconomie domineren. Het sociale Europa moet het halen op de hebzucht en de onverantwoordelijkheid.”
Ik zal het meteen duidelijk stellen: ik pleit ook voor maximale en dwingende maatregelen tegen de financiële woeker en speculatie. Voor publieke banken door onteigening van de banksector, voor bestraffing van operaties met fiscale paradijzen, voor een taks op financiële transacties en beursverrichtingen, voor een meerwaardetaks. Waar we het hier over hebben is: ligt hierin de oorzaak en meteen de oplossing voor de crisis? Wordt de markteconomie vrijgesproken en de worden de financiers veroordeeld?
De stelling – niet alleen van de sociaal-democratie trouwens – luidt: de financiële haaien moeten de sociale markteconomie met rust laten. En daarvoor moeten er nieuwe regels opgelegd worden waardoor de financiële wereld weer in dienst komt te staan van de reële economie. Er is economische crisis, maar die had perfect vermeden kunnen worden als men de financiers beter had aan banden gelegd. Met andere woorden, wanneer we vandaag geconfronteerd worden met een vloedgolf van afdankingen in de reële economie is dit alleen te wijten aan het wangedrag van de financiers. Het socialisme zal voortbouwen op de grondvesten van de gezonde markteconomie, met haar monopolies, haar concurrentiemechanisme, haar ‘onzichtbare hand’.
De remedies vloeien uit de diagnose. Als de goeie industriëlen, de goede markt wordt verstoord door speculatief en parasitair kapitaal dan moet het ‘wilde kapitalisme’ worden bijgeschaafd. Dan moet het neoliberalisme met zijn liberalisering van de financiële markten, met zijn privatiseringen en globalisering, de baan ruimen voor meer staat. Dan moeten de banken terug hun gezonde rol spelen ten dienste van de reële economie. De Franse oud eerste minister Michel Rocard is duidelijk: “Het is het kapitalisme in zijn gemondialiseerde en gefinanciariseerde vorm die ter discussie staat en niet de markt – waarvan ik voorstander ben”. Zijn besluit: “Vermits het om een mondiaal project gaat zie ik maar één kracht die het tot een goed einde kan brengen: de internationale sociaal-democratie. We zullen moeten opkomen voor alles wat produceert tegen alles wat speculeert. Dat is het, de nieuwe klassenstrijd.”
Daarmee wordt de oude klassenstrijd – à la Marx, tussen kapitaal en arbeid – begraven. De nieuwe klassenstrijd mobiliseert alle werkenden (industrieel kapitaal en arbeid) tegen de financiers, de speculanten, de parasieten. Niet toevallig maakte die theorie ook opgang bij de sociaal-democratie van de jaren ’30, na het uiteenspatten van de speculatiegolf in ’29. Bij ons in België werd ze op bijzonder krachtige wijze gelanceerd door Henri De Man, die mede dank zij de campagne voor zijn Plan van de Arbeid voorzitter werd van de toenmalige BWP. Niet toevallig werd die theorie ook opgenomen door de grootste vijanden van de proletarische klassenstrijd: de nationaal-socialisten.

 

Dergelijke stellingen gaan volledig voorbij aan de reële verhouding tussen financieel en industrieel kapitaal onder het kapitalisme en ook hier heeft Marx ons iets zinnigs te vertellen. Voor Marx vertrekt alles bij de kapitaalcyclus en de accumulatie van kapitaal. De bron van alle rijkdom ligt in de arbeid, in de productie. Welke ook de indruk moge zijn die men krijgt bij het aanschouwen van de beursspeculaties: geld schept geen geld. Het moet van ergens komen, iemand betaalt het, vandaag of in de toekomst. Alle ‘meerwaarde’ komt uiteindelijk voort uit de productie, ook de winst in de financiële sector of de distributie. En dat ligt aan de basis van een complexe liefde-haat verhouding tussen het industriële en het financiële kapitaal.

 

De liefde voor de winst hebben ze allebei, en daarom moeten ze ook lief zijn voor mekaar want ze zijn van mekaar afhankelijk. De industrieel die zijn productie sneller wil uitbreiden en vernieuwen dan zijn concurrenten moet beroep doen op vreemd kapitaal, moet lenen of aandelen uitgeven. De geldschieters, de banken of aandeelhouders, zijn voor hun winst afhankelijk van de bedrijven. De wederzijdse afhankelijkheid is zo groot dat er in de loop van de geschiedenis heel veel vervlechtingen zijn gebeurd in beide richtingen. Financiers zijn bezitters geworden van industriële ondernemingen (holdings), banken hebben zich gespecialiseerd in financiële operaties voor ondernemingen en aandeelhouders (zakenbanken) en industriële monopolies hebben hun eigen financiële ondernemingen waarmee ze op hun beurt gingen speculeren. Dat voor wat betreft de liefde.

 

De haat is er ook, want uiteindelijk blijft het dikwijls een gevecht om de winst uit de productieketen binnen te rijven. De financiers krijgen geld van speculanten en deze eisen waar voor hun geld: een rendement van 15, 20, 30%. De neoliberale politiek heeft hier wel degelijk een aantal zaken veranderd waardoor de krachtsverhoudingen tussen industrie en financiële sector zijn gewijzigd. De marxist Isaac Joshua formuleert het zo: “De maximalisatie van de winst is altijd het uiteindelijke doel, maar in dit streven kan het industrieel kapitaal niet anders dan rekening houden met de dwang van het reële, terwijl het financiewezen beweert het reële te overstijgen.”

 

Wat is hierin de rol van de neoliberale golf geweest? De nieuwe financiële actoren kregen vrije loop door de deregulering en de wildgroei van nieuwe financiële producten (derivaten). Ze zogen speculatiekapitalen op over de hele wereld waaruit ze een woekerrendement wisten te halen door een bijzonder agressieve en vernietigende investeringspolitiek. Het moest méér en sneller opbrengen. De industrie moest zijn ‘schuld’ zo snel mogelijk inlossen ook als daardoor het bedrijf naar de knoppen ging. Maar anderzijds konden die financiële piraten ook maar ontwikkelen omdat de behoefte van de industrie aan vreemd kapitaal nijpender werd. En dat heeft te maken met de ontwikkeling van het kapitalisme zelf, met de wilde concurrentie tussen steeds grotere industriële monopolies. Alleen de hele grote financiële spelers kunnen en willen nog de risico’s nemen. Tegen een verzekerd maximum-rendement wel te verstaan, daar gaan ze tenminste van uit. De ontwikkeling van dat soort financiële spelers en giganten is dus geen ontsporing van het kapitalisme, maar een noodzaak vanuit de intense concurrentie tussen altijd maar grotere monopoliegroepen. De greep van de financiën op de ‘reële’ wereld is dus helemaal niet te verwonderen. Wie ervan droomt om dat terug te draaien zonder de almacht van de industriële monopolies te breken leeft in een sprookjeswereld. Neen dat probleem zal niet opgelost worden door de « echte vrije markt, de gereguleerde » te herstellen, zoals Johan Vande Lanotte beweert. Het is een wezenlijk element van de vrije markt, ook van de gereguleerde.

 

De vorm die deze liefde-haat verhouding aanneemt is niet los te denken van het gevecht voor de wereldoverheersing. Begin de jaren ’70 dreigden de Verenigde Staten “achterop” te geraken inzake concurrentievermogen tegenover Duitsland en Japan. Ze hebben dan gekozen voor een formule van financieel kapitaal die men ‘wreed’ kan noemen: financiële markten waar de speculatie welkom is en de beurswaarde heilig. De speculanten nemen dan een optie op de toekomstige winsten en drijven de beurskoers naar omhoog. Maar ook pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en institutionele beleggers worden meegezogen in die golf. De bedrijven proberen die verwachting in te lossen door hogere uitbuiting van de arbeidskracht. En wat betreft uitbuiting heeft het Amerikaans kapitalisme nog een straat voorsprong. Vandaar dat het Amerikaanse financieringssysteem het haalt op het klassieke bankfinancieren op zijn Duits, Japans of Europees. Wat dus een buitensporige ontwikkeling lijkt van de financiële wereld is geen ontsporing van een ‘gezond’ kapitalisme, maar maakt deel uit van de planetaire concurrentieoorlog tussen Amerikaanse, Europese en Japanse monopoliereuzen.

 

Wat het meest opbrengt verdringt de concurrent: dat is de essentie van het kapitalisme. Het klassieke model van nationale grootbanken die hun nationale industrie bijstaan is doorbroken door de globalisering en deregulering van de financiële markten. De financiële piraten, type hedge funds en private equity funds hebben het financieel leiderschap van de zakenbanken overgenomen. Hegde funds profiteren veel sterker van de internationalisering dan de banken die voornamelijk nog nationaal opereren. De hedge-funds kenden een stormachtige groei sinds 1990, doen erg agressieve beleggingen en zouden instaan voor 40% van de transacties op de beurs. Het aandeel van de klassieke bank- en verzekeringssector in de financiële activa in de VS is gehalveerd van 70% in 1980 tot 35% in 2007, dat van beleggingsfondsen, private equity-fondsen, pensioenfondsen, hedge-funds,… is evenredig gestegen. Op financieel vlak heeft het ‘angelsaksisch’ kapitalisme het gewonnen van het ‘rijnland’-kapitalisme (type Japan, Duitsland, Europa). Dat is ook de reden waarom Europa de VS achterna loopt in de koers om, zoals de Lissabon-strategie het uitdrukt, “de meest competitieve economie ter wereld” te worden. Dat is de reden waarom de Europese Unie dezelfde weg van deregulering en liberalisering van de financiële markten is ingeslagen, de VS achterna. Dat is ook de reden waarom de privatisering van de pensioenen hoog op de verlanglijst staat van de Europese Unie.

 

Blijft de vraag: hoe de liefde-haat verhouding van dit koppel ons in de huidige crisis loodste? Daarvoor moeten we teruggaan naar het begin van de jaren ’70. De periode van naoorlogse heropbouw en groei mondt uit in de zeer zware crisis van 1973. De neoliberale ommekeer van de jaren ’80, met Reagan en Thatcher, was een reactie op die crisis. Door het hanteren van een agressieve neoliberale politiek heeft de VS haar bedreigde hegemonie op wereldvlak kunnen herstellen en tegelijk ook de wereldeconomie tijdelijk uit het slop gehaald. Maar de prijs daarvan betalen we nu dubbel en dik. De neoliberale ‘remedies’ bestonden uit deregulering en globalisering van de financiële wereld, belastingverlaging voor de rijken, grotere uitbuiting van de werkende bevolking en van de derde wereld. Dit ging gepaard met een gigantische groei van de financiële markten, aangezwengeld door krediet en de speculatie. De barsten in dit model worden duidelijk wanneer in 1997 de Aziatische zeepbel barst. Hetzelfde gebeurt met de internet-zeepbel in 2001 en uiteindelijk met de huizen-zeepbel in 2007-2008. Deze laatste sleurt eizona de hele financiële wereld mee naar de dieperik. Samengevat kan men stellen dat de financiële wildgroei tijdelijk een zware crisis van overproductie heeft weggeduwd. De kapitalen die niet rendabel genoeg in de industriële productie konden belegd worden vonden hun weg in de speculatieve sfeer. Maar uiteindelijk ligt de kern van het probleem bij de bron: in de productie. Zonder de financiële wildgroei had de crisis van 1973 eerder geleid tot een lange depressie. Die krijgen we vandaag en in dubbele mate, omdat alle uitwegen afgesloten zijn. De financiële spelers hebben de illusie gecreëerd dat men kon ontsnappen aan de logica van de crisis van overproductie. Maar uiteindelijk stoot het systeem weer op zijn grenzen en onoplosbare tegenstellingen, die op unieke wijze werden geanalyseerd door Marx.

 

3
Een derde theorie gaat nog een stapje verder: we moeten terug de derde weg ontdekken. Wat gefaald heeft is niet het kapitalisme maar een bepaald soort kapitalisme. In zijn boek ‘Capitalisme contre capitalisme’ lanceerde Michel Albert in 1991 het concept ‘Rijnlandmodel’ als alternatief op het ‘Angelsaksisch’ model. Het Rijnlandmodel integreert dan zowel de ethiek als de ultieme regulering van de markt door de staat. De ethiek moet de ondernemers doen bezinnen over hun doen en laten zodat ze optreden met zin voor verantwoordelijkheid. De rol van de staat moet geherwaardeerd worden om tussen te komen waar de markt faalt. In dit gamma van de ‘sociale markteconomie’ vindt men alle centrumpartijen, zowel christendemocratische als sociaaldemocratische. We doen opnieuw beroep op de Franse socialistische partij omdat die duidelijker formuleert wat SP.a en PS denken: « De socialisten zijn voorstanders van een sociale en ecologische markteconomie, een markteconomie die gereguleerd wordt door een openbare macht en door de sociale partners, die als doel heeft de sociale noden te bevredigen. Het systeem dat de socialisten willen is een gemengde economie, die een dynamische privé-sector combineert met een efficiënte publieke sector, met openbare diensten die voor iedereen toegankelijk zijn en een derde sector van sociale en solidaire economie.” (art.6).
Joseph Stiglitz, de man die een grote geloofwaardigheid heeft bij vele progressieven omdat hij ooit ontslag nam uit de Wereldbank, stelt het zo: “Dat alles stelt aan Europa, aan Azië en Latijns Amerika de fundamentele vraag: welk type markteconomie willen ze creëren? Is het een kapitalisme op zijn Amerikaans of een kapitalisme met menselijk gezicht, zachter, op zijn Zweeds?”
Het zijn ook de woorden van Yves Leterme in zijn boek over het Rijnlandmodel. Volgens onze eerste minister is het Rijnlandmodel klaar voor een comeback. En dan denkt hij terug aan de na-oorlogse periode: “Net na de Tweede Wereldoorlog maakte dit model het Wirtschaftswunder in Duitsland mogelijk, maar neoliberale politici als Thatcher en Reagan plaatsten de verwezenlijkingen ervan naar de achtergrond ten voordele van de ongebreidelde winstmarges in hun kapitalistische systeem. Door de financiële rampspoed van de jongste maanden zijn de rollen weer omgedraaid.”
Zijn lofzang op het Rijnlandmodel maakt abstractie van de na-oorlogse situatie. Een situatie waarin de sociale vrede werd afgekocht met ernstige sociale toegevingen om de dreiging van het communisme te keren. Wat hij als een ‘gift’ van het kapitaal voorstelt is afgedwongen door strijd en het kapitalisme marcheert onverbiddelijk in de andere richting.

 

Kan dat anders? Alle Rijnlandfanaten leggen er de klemtoon op dat de markt het beste mechanisme is en blijft om welvaart te creëren. Leterme drukt het zo uit: “Als het Rijnlandmodel een gecorrigeerde markteconomie voor ogen heeft, dan is dat niet om het vrije initiatief en de mededinging te hinderen maar om monopolievorming en kartelvorming te verhinderen en zo de markt als het ware te verbreden voor meer spelers en meer concurrentie. Als boutade kunnen we zeggen: niet minder maar meer markt is het doel van het Rijnlandmodel. Misschien kunnen we spreken van het ‘Rijnmarktmodel’. Het wil immers garant staan voor een ‘op lange termijn’ functionerende markteconomie die berust op vrijheid, mededinging, verantwoordelijkheid én solidariteit.” Johan Van de Lanotte ziet het niet anders. De échte vrije markt is de gereguleerde markt, aldus de SP.a. Maar wie het dogma van de markt aanvaardt, bepaalt meteen ook hoe ver en hoe diep (of liever hoe weinig diep) die regulering kan gaan. Ja, er kunnen kantjes van het kapitalisme afgeschaafd worden. En er zullen misschien enkele regeltjes opgesteld worden voor de kapitaalvoorraad van de banken zoals ook in de jaren ’30 gebeurde, want het wereldkapitalisme zal zich tijdelijk wat beter indekken tegen dreigende financiële catastrofes. Daar pleit niet alleen Obama voor, maar nog veel meer onze buurman Sarkozy, die nochtans weinig met socialisme gemeen heeft. Maar de vrije markt blijft het absolute geloof, van liberalen, christendemocraten, sociaal-democraten, groenen en nationalisten. Zij hebben dat neergeschreven in de nieuwe ‘grondwet’ van de Europese Unie, waarin de vier grote vrijheden van de markt gebeiteld staan: vrije circulatie van kapitaal, van diensten, personen en goederen. Daardoor zijn de grenzen van de regulering afgebakend. De ‘regulering’ die het kapitaal aanvaardt gaat precies in de andere richting, die van de afbraak van de vele sociale rechten en veroveringen uit de ‘rijnlandperiode’. Denk aan de liberalisering en privatisering van de openbare diensten of de ontmanteling van de sociale zekerheid.
Markteconomie is per essentie blinde concurrentie en jacht op winst. Markt is maatschappelijke chaos. Markt is per definitie asociaal. Karl Marx toonde aan waarom de wetten van de markt onvermijdelijk naar crisissen van overproductie leiden. Eigenlijk kan men stellen dat de enige echte regulering die in het kapitalisme ingebakken zit, de crisis is. Doorheen crisissen stuurt het kapitalisme zichzelf bij. Voor het kapitaal is de crisis een goeie zaak, want daardoor worden de zwakste schakels vernietigd en wordt de winstvoet terug opgekrikt. Ten koste van een massieve vernietiging van volstrekt performante produtiemiddelen, ten koste van misdadige verspilling en onnoemelijk veel miserie. En dat gaat uiteindelijk terug op de fundamentele tegenstelling die de basis vormt van de kapitalistische economie: de productiemiddelen zijn privé-bezit terwijl de productie meer en meer sociaal is. Dit is vandaag nog 1000 keer méér het geval dan in de tijd van Marx. Ontzaglijke productieapparaten die gespreid zijn over de hele wereld worden bestuurd volgens de belangen van een infiem kleine minderheid van kapitaalbezitters. De enige ‘planning’ die gebeurt is die om de concurrentie kapot te krijgen. Daarvoor moet het kapitaal méér winst opstrijken dan de concurrenten, altijd maar méér kapitaal accumuleren. Door meer en sneller te investeren hoopt elke kapitalist dat hij markten kan veroveren op zijn concurrenten. Maar daarvoor moet hij de productiekost verlagen (lagere lonen), voortdurend rationaliseren om méér te produceren met minder arbeidskrachten. Deze verhoogde uitbuiting van de werkende massa leidt onvermijdelijk tot crisissen van overproductie omdat er een tegenstelling groeit tussen de productiecapaciteit en de koopkracht van de grote massa. Zoals Marx het samenvatte: “De uiteindelijke oorzaak van elke echte crisis blijft de armoede en de beperking van de consumptie van de massa, die botst op de tendens van de kapitalistische productie om de productiekrachten zodanig te ontwikkelen alsof er een absoluut consumptievermogen van de maatschappij tegenover staat.” De uiteindelijke oorzaak daarvan is en blijft de maatschappelijke chaos waar alleen de wet van maximale winst geldt.
Zij die blijven zweren bij de markteconomie hebben geen enkele echte remedie tegen crisis, tegen de groeiend kloof tussen arm en rijk, tegen de altijd maar toenemende werkstress aan de ene kant en werkloosheid aan de andere kant, tegen de blijvende uitbuiting van de derde wereld, om maar enkele van de meest voor de hand liggende kwalen te noemen. Ze zijn evenmin in staat om een afdoende antwoord te formuleren op de dreigende opwarming van de aarde. Maar dat is een ander verhaal.

 

4
De crisis zet niet het rijnlandmodel maar wel het socialisme terug op de agenda. Dat is de conclusie die zich opdringt. Er zijn geen twee soorten kapitalisme, met een verschillend motief van de productie. Er is één motief, maximaal winst maken. De crisis is geen financiële crisis, geen crisis van het neoliberalisme, maar een crisis van het kapitalistisch systeem. Het alternatief is niet een gereguleerd kapitalisme, maar het socialisme.
En eigenlijk dient mijn hele betoog om de essentiële kenmerken van dat socialisme te omschrijven. Het is geen sociale of socialistische markteconomie, want dat is een contradictio in terminis. Het socialisme kan alleen gebouwd worden op basis van een economie met de volgende drie kenmerken:
1° De grote productiemiddelen moeten in collectief bezit worden gebracht. Dit wil zeggen dat in de cruciale domeinen van de economie de vrije markt als ‘regulator’ is uitgeschakeld. Hoever dit gaat is afhankelijk van de staat van ontwikkeling van de economie.
2° De productie wordt gepland, de markteconomie wordt vervangen door een planeconomie. De prioriteiten qua productie en investeringen moeten afgestemd worden op de grootste noden van de bevolking en op het vrijwaren van het milieu. De electronische middelen waarover de maatschappij nu beschikt om de planning te sturen en af te stemmen op de behoeften zijn onvergelijkbaar met deze die ter beschikking stonden van het ‘reëel bestaande socialisme’. De ervaringen van die maatschappijen moeten dienen lessen te trekken uit de realisaties, de fouten en tekorten en om het socialisme van de toekomst beter, efficiënter en democratischer te organiseren.
3° Alle burgers zijn gelijk, nemen deel aan de maatschappelijke arbeid en worden vergoed in verhouding tot de geleverde bijdrage. Het recht op arbeid wordt daadwerkelijk toegepast. Dit schakelt de kloof uit tussen rijk en arm, vermits inkomen uit bezit van productiemiddelen en inkomen door het werk van anderen tot een minimum beperkt wordt. De verdeling van inkomens en geproduceerde goederen wordt door de staat georganiseerd. De basisbehoeften worden kosteloos verstrekt: gezondheidszorg en onderwijs. De levensnoodzakelijke voorzieningen zoals woning, energieworden gegarandeerd tegen zeer lage prijs. De sociale voorzieningen voor opvang voor kinderen, gehandicapten, zieken en gepensioneerden worden maximaal uitgebouwd. In alle gevallen is een leefbaar minimuminkomen gegarandeerd.
Wie het over socialisme heeft, moet naar de kern gaan van de economie. Deze crisisperiode is bij uitstek een periode om die boodschap te brengen. Zonder scrupules, met overtuiging en vertrouwen in de toekomst. Met geloof ook in de scheppende kracht van de massa.
Laat het duidelijk zijn, als we het over de onmiddellijke toekomst hebben dan juichen we alle maatregelen toe die ons vooruit helpen op die weg en die de mogelijkheden van het socialisme nog beter in de verf zetten. In het bijzonder de maatregelen die de noodzaak van het collectief bezit onderstrepen.

 

Michel Rocard, « Tous derrière Laurence Parisot ! », Le Monde, 5 mars 2008, repris sur le site Contre Info : http://contreinfo.info/prnart.php3?id_article=1830. Laurence Parisot est la présidente du Medef, c’est-à-dire l’organisation patronale française.
Michel Rocard, « Tous derrière Laurence Parisot ! », Le Monde, 5 mars 2008.
Humo, november 2008.
PES, « Adieu aux marchés non régulés. Bienvenue à une nouvelle feuille de route progressiste pour l’emploi et la valeur réelle », Résolution adoptée par la Présidence du PSE, Bruxelles, le 16 octobre 2008 : http://www.pes.org/downloads/Presidency_Financial_Crisis-16-10-2008_FR.pdf.
PES, « Un plan européen d’urgence pour sortir l’Europe de la crise financière et économique », Déclaration des Leaders du PSE, 5 novembre 2008 : http://www.pes.org/downloads/PES_leaders_declaration_51108_FR.pdf.
PES, « Adieu aux marchés non régulés. Bienvenue à une nouvelle feuille de route progressiste pour l’emploi et la valeur réelle », op. cit.
Michel Rocard, « La crise mondiale est pour demain », interview dans Le Nouvel Observateur, 13 décembre 2007 : http://hebdo.nouvelobs.com/hebdo/parution/p2249/articles/a362300-.html?xtmc=michelrocard&xtcr=7.
Michel Rocard, « La crise mondiale est pour demain », interview dans Le Nouvel Observateur, 13 décembre 2007.
Isaac Joshua, Une trajectoire du capital, éditions Syllepse, Paris, 2006, p.147.
Joseph Stiglitz, Quand le capitalisme perd la tête, éditions Fayard, Paris, 2003, p.560.

Toespraak van premier Yves Leterme ‘Rijnlandmodel’ Nieuwspoort-diner (Den Haag), 26/11/2008