Let op je woorden: Een kleine handleiding voor de tegenkracht

Deze tekst is gebaseerd op de slottoespraak van Jan Blommaert op de derde dag van het Socialisme, 2 november 2013 en werd overgenomen van de webblog ‘De Nieuwe Socialist’.

Jan BlommaertHet taalspel

Politiek is een taalspel. Zowat elke politieke handeling houdt een dimensie in van strategisch taalgebruik, waarin woorden welbepaalde betekenissen toegewezen krijgen en waarin er naast de ‘pure’ betekenis ervan nog een reeks suggestieve betekenissen worden aan toegevoegd. Hier zou nu een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven, maar ik beperk met tot een enkele illustratie.

Links is radicaal. In de modale pers en burgerlijke goegemeente (de twee zijn vaak synoniem) staat links gedachtegoed vrijwel automatisch voor ‘radicaal’ en ‘extremistisch’ gedachtegoed. We zien dat in het Engels, waar het woord ‘radical’ in, bijvoorbeeld, ‘a radical intellectual’ of ‘radical thought’ enkel slaat op linkse intellectuelen en linkse gedachten. Rechts is vanuit dat kader vrijwel altijd ‘gematigd’, en wanneer men het etiket ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ hanteert voor rechtse politiek, dan betekent dit dat die rechtse politiek – denk nu even aan Vlaams Belang en dergelijke – niet langer eerbaar of respectabel is vanuit de burgerlijke gematigdheid. Links is antiburgerlijk en derhalve automatisch niet eerbaar en respectabel, het is per definitie ‘radicaal’.

Noteer terloops de sterke morele dimensie van dit spel. Termen zoals ‘radicaal’ of ‘extremistisch’ zijn niet puur beschrijvend – ze zijn geen objectieve beschrijvers, wel subjectieve. Want deze termen drukken een moreel oordeel uit, een morele evaluatie als ‘slecht’, ‘kwaad’. Het is binnen dit kader niet goed wanneer je radicaal bent; het goede situeert zich in de matiging, het compromis, de haalbaarheid. Dit moreel kadertje van goed en kwaad beheerst de burgerlijke opvatting over politiek.

 

Paradoxen

Dat schept eigenaardige situaties. Een partij die oproept tot, ik zeg maar wat, een etnisch geordende samenleving met een helder onderscheid tussen eerste- en tweede-klasse burgers; tot de verlaging van de minimumlonen; de afbouw van het gratis onderwijs en de betaalbare gezondheidszorg; de repressie van werkloze mensen en minderheidsgroepen; de afschaffing van vakbonden; de bestraffing van alledaags gedrag dat niet binnen ongespecifieerde regeltjes valt – zo’n partij is niet meteen ‘radicaal’. Neen, hier zullen media en burgerij de vraag stellen naar de ‘haalbaarheid’ of ‘opportuniteit’ van zo’n maatregelen, niet naar het moreel gewicht van zo’n voorstellen binnen een kader van goed en kwaad in de samenleving.

Een partij die daarentegen oproept tot een meer rechtvaardige samenleving, met fiscale rechtvaardigheid en de beperking van uitbuiting, speculatie en privileges voor de elites; die gratis onderwijs en gezondheidszorg voorstaat; die pleit voor pensioenen die ouderen een menswaardig leven laten leiden; die de gelijkheid van alle mensen predikt – zo’n partij wordt binnen datzelfde kadertje van goed en kwaad in de hoek van het kwaad gezet.

De paradoxale aard van dit soort snelle kwalificaties kwam onlangs duidelijk aan het licht in Groot-Brittannië, toen de Daily Mail uitpakte met een aanval op de (in 1994 overleden) Marxist Ralph Miliband, vader van de huidige Labourleider. De krant beweerde dat ‘Rooie Ralph’ een landverrader was en bovendien als Marxist onmogelijk het beste kon voorhebben met de Britten. De boemerang keerde snel terug. Commentatoren met een historisch bewustzijn wisten te melden dat Lord Rothermere, de oprichter van de Daily Mail, in de jaren 1930 een notoir fascist was, die zich graag liet voorstaan op zijn persoonlijke contacten met Adolf Hitler. Miliband daarentegen vocht met de Royal Navy tegen Hitler; de kwestie landverraad was dan ook snel beslist.

Wat het tweede punt betrof – Miliband als een kleine Britse Stalin: ook daar keerde de boemerang snel terug. Mensen die het werk van Miliband kenden lieten weten dat Miliband nu net een resoluut tegenstander was van de Stalinistische interpretatie van het Marxisme, en dat hij een reeks zaken voorstond waar men als moreel wezen moeilijk bezwaren tegen kon uiten. Miliband stond voor rechtvaardigheid en gelijkheid, voor een samenleving waarin ieder naar vermogen bijdroeg en naar behoefte ontving, voor een maximale democratie die niet wordt gedomineerd door de privileges van kleine groepen; dat hij zich heftig verzette tegen armoede, ongelijkheid en uitbuiting, en telkens weer hamerde op de menswaardigheid en de vrijheid van elk individu.

De conclusie van het debat was dan ook – tot spijt van de Daily Mail – dat een Marxist als Miliband het eigenlijk goed meende met de Britten. Meer nog: men kwam tot de bevinding dat het ‘radicalisme’ en ‘extremisme’ van iemand zoals Miliband – een streng socialist – best wel goed zou kunnen zijn voor de samenleving, en zelfs voor de wereld. Het kadertje van ‘goed’ en ‘kwaad’, waarbij links vrijwel meteen bij het ‘kwaad’ wordt gerangschikt, blijkt bij nadere inspectie van de bewijslast geen steek te houden: de verhouding is precies omgekeerd.

Hoe kan dat nu? Wel, dat kan omdat de kwalificatie van ‘radicaal’ niet van Gods hand komt, maar wordt toegekend door specifieke actoren in de samenleving. De aanval op Miliband kwam vanuit een zeer rechtse hoek – de Daily Mail ademt nog steeds de geest van z’n stichter en is de spreekbuis van de aristocratie en het patronaat, en van de rechtse Conservatieven in Groot-Brittannië. Ze zijn dus geen neutrale kwalificaties maar politieke kwalificaties, een weergave van het standpunt van een belangengroep die een welbepaalde positie in de samenleving inneemt.

 

Een methodologisch principe

We kunnen uit het voorgaande een methodologisch beginsel halen. Ik schets het in enkele punten.

  1. Woorden die politiek worden gebruikt zijn nooit neutraal, ze geven altijd een politieke positie weer.
  2. Een onderzoek van woorden en hun gebruik is dan ook een onderzoek naar de politiek die deze woorden gestalte heeft gegeven.
  3. Dat betekent dat we ons bij elke term die als ‘neutraal’ wordt voorgesteld de vraag moeten stellen: wiens woord is dit?
  4. En dat we terzelfder tijd moeten nagaan voor welke concrete realiteit dat woord wordt gebruikt.
  5. Op die manier kunnen we bepalen welke politieke positie dat woord eigenlijk dekt, en kunnen we onze eigen politieke positie daar tegenover bepalen. Dat woord kan ons niet langer manipuleren.

Het is via dit laatste dat de Britten hun paradox ontdekten: iemand die z’n leven riskeerde op de Normandische stranden van D-Day kan je moeilijk een ‘landverrader’ noemen, en iemand die vrijheid, gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit bepleitte kan je moeilijk bestempelen als iemand die het slecht voor heeft met de mensen.

Dit methodologisch beginsel heeft enorme gevolgen. Telkens men iets leest of hoort stelt men zich de vraag: van uit welke hoek in de samenleving komt dit? Voor wie is dit een waarheid? En waarom? Het eenvoudige principe van kritiek dat ik hier voorstel schept met andere woorden een reusachtige ruimte van analyse, waarin men via uitspraken telkens weer op zoek moet gaan naar de politieke posities in de samenleving, de bewegingen er tussen, de veranderingen er in.

Het spreekt vanzelf dat iemand die deze kritiek gedisciplineerd toepast weinig geloof hecht aan termen zoals ‘de publieke opinie’, omdat ook daar de vraag moet gesteld worden: wiens publieke opinie bedoelt men hier? Het is dus via dit eenvoudige beginsel dat men afscheid neemt van wellicht de grootste mythe – of leugen, zo U wil – die ons beheerst: die van een homogene samenleving die in eenzelfde richting denkt, praat en handelt. Zoals Bourdieu zo vaak beklemtoonde: dit is net de visie van de macht, van degenen die de macht in handen houden, want enkel zij zijn ermee gediend elke vorm van tegenkracht weg te denken en te minimaliseren, en ‘hun’ samenleving voor te stellen als unaniem in haar steun aan hun macht.

De tegenkrachten zelf verliezen via deze mythe elke legitimiteit – elke rebel voelt zich alleen tegenover een overweldigende meerderheid van mensen die het eens zijn met datgene wat hij of zij afwijst en bestrijdt. De voorstelling van de samenleving als een solied en eensgezind geheel is dan ook een van de krachtigste instrumenten om het verzet tegen de macht te marginaliseren en plat te drukken.

 

Het principe toegepast: ‘economie’

Wie het principe toepast bevindt zich daarentegen in een heel andere maatschappij: een maatschappij die bestaat uit een mozaïek van heel diverse groepen, die zich vanuit hun specifieke positie in de samenleving groeperen rond hun eigen belangen, en van daaruit politiek handelen. Het spreekt vanzelf dat dit beeld een enorm veel waarachtiger en precieze weergave is van de realiteit.

Goed, laat ons dit principe nu  even toepassen op de retoriek van vandaag, de retoriek over de zogenaamde ‘crisis’.  Ik zet dit woord prompt tussen haakjes, want ook hier rijst de vraag: wiens crisis? Voor wie is er een crisis? Wel, al zeker niet voor het stijgend aantal miljonairs in ons land en elders, en al evenmin voor de CEO’s van grote bedrijven, die hun salaris de afgelopen jaren fors hebben zien stijgen.  Het woordje ‘crisis’ zelf is dus al iets wat om kritische analyse schreeuwt.

Het centrale begrip in zowat alle retoriek over de crisis is ‘de economie’. Het is de economie die in crisis is, en het is dan ook de economie die opnieuw moet aangejaagd worden. Drie opmerkingen horen hier bij.

  1. De economie wordt systematisch voorgesteld als een autonoom iets, dat volkomen los staat van de rest van de samenleving, en daardoor ook immuun is voor de wetten en behoeften van die samenleving.
  2. De economie wordt stelselmatig gebruikt als eenvoudig synoniem voor kapitalisme
  3. En vaak nog iets specifieker, als synoniem voor bedrijven.

Onthoud deze drie punten goed, en roep ze op telkens je het woord ‘economie’ hoort. Men zegt “de economie is in crisis”, en denk meteen “het kapitalisme is in crisis”; je hoort “we nemen economische relance maatregelen”, en je denkt meteen “we nemen maatregelen die het kapitalisme een relance moeten geven”; en je hoort “we moeten zuurstof aan onze economie geven” en je denkt “we moeten zuurstof (geld, dus) geven aan onze bedrijven”.

Je hebt nu eigenlijk een analyse uitgevoerd. Want je begrijpt dat, telkens men het woord ‘economie’ gebruikt, men

(a) spreekt over een zeer specifiek economisch stelsel – dus over slechts een van een reeks mogelijke economische stelsels; het is niet om het even welke economie die in crisis is, wel de kapitalistische economie. Dat betekent dat de oorzaken daar moeten gezocht worden – in de structuren van het kapitalisme, en dat de oplossingen eveneens op dat niveau liggen.

(b) Tevens spreekt men over een zeer specifieke reeks economische actoren, ondernemingen, die vooral als begunstigde synoniem gesteld worden voor de ‘economie’. Inspanningen voor de ‘economie’ – een relancepact, een concurrentiepact – zijn dan ook geen inspanningen ten voordele van iedereen, wel ten voordele van een heel bepaalde belangengroep binnen de (echte) economie.

(c)  En wat dat laatste betreft: als de economie zich heeft losgerukt uit de samenleving en weigert zich door die samenleving te laten sturen en beïnvloeden, dan weten we nu dat dit gelijk staat aan kapitalistische ondernemingen die zich aan elke vorm van sociale en overheidscontrole willen onttrekken, en dus niets minder dan de droom van Friedman en Hayek willen verwezenlijken: de enige echt relevante politieke kracht worden. Dit is een ideologische bevinding.

De losmaking van de economie uit de samenleving – ik ga daar nog even op door – is een ideologisch standpunt; het heeft niets objectiefs, het is een machtsgreep die wordt voorgesteld als logisch en vanzelfsprekend. In werkelijkheid omvat de ‘economie’ immers de gehele samenleving, dat is: het hele samenspel tussen diverse actoren, zoals bedrijven en kapitalisten, de arbeidende bevolking, de consumenten, de overheden, de ambtenaren, de werklozen – dat samen is ‘de economie’. De economie vernauwen tot slechts diegenen die goederen en kapitaal verhandelen slaat nergens op, en indien men enkel die actoren steunt in een ‘economisch’ beleid, dan voert men een kreupel beleid. De ‘economie’ groeit dan, maar de samenleving verarmt. Ik ga daar straks wat dieper op in, want dat is precies wat er thans gebeurt.

 

De ‘arbeidsrelatie’

Een tweede illustratie van het principe gaat over een reeks begrippen die de verhouding binnen het arbeidsproces weergeven. En laat ons beginnen met het meest voor de hand liggende: werkgever versus werknemer.

Er is van alles heel erg fout aan dit begrippenpaar.

  1. Werk wordt niet gegeven maar aangekocht binnen een contractuele relatie op de arbeidsmarkt;
  2. Ondernemingen verschaffen dan ook geen werk; ze scheppen een marktvraag voor werk.
  3. In dat opzicht zijn de ondernemingen de echte ‘klanten’ van de arbeidsmarkt, niet de arbeidende bevolking.

De relatie tussen werk ‘geven’ en werk ‘nemen’ wordt nu voorgesteld als een relatie waarin een partij iets ‘schenkt’ dat de andere ‘ontvangt’; de bevoorrechte en bevoordeelde partij zou dan de ‘werknemer’ zijn; de partij die een inspanning doet is dan de ‘werkgever’. In realiteit gaat het om een transactie, waarin de ‘werkgever’ (de ondernemer) iets vraagt en het ook verkrijgt aan een bepaalde prijs, het loon.

4. De relatie tussen ‘geven’ en ‘nemen’ is dan ook in wezen precies omgekeerd: het is de arbeider die ‘werk geeft’ (aan een bepaalde prijs) aan de ondernemer, die het ‘werk neemt’ en het omzet in kapitaal.

Het is die fictieve verhouding tussen een ‘weldoener’ – de ‘werk-gevende’ ondernemer – en een ‘begunstigde’ – de ‘werk-nemende’ arbeider – die bijzonder veel debatten over sociaaleconomische thema’s vergiftigt. Binnen het systeem van arbeidsverhoudingen hebben beide partijen elkaar immers nodig om tot resultaten te komen. Er kan niets worden geproduceerd zonder de arbeid van ‘werknemers’, dus zonder dat ‘werknemers’ werk geven, en deze ‘werknemers’ kunnen niet leven zonder het loon dat ze voor hun arbeid ontvangen.

Dit brengt ons bij een tweede reeks begrippen in dit verband: begrippen die we zeer vaak horen wanneer het gaat om lonen: ‘loonlasten’, ‘loonhandicap’, ‘loonkloof’.

Alle drie de begrippen zijn schoolvoorbeelden van hoe woorden specifieke posities vertolken: voor wie is loon eigenlijk een ‘last’? Ik ken weinig loontrekkenden die hun loon ervaren als een last; ik ken er eveneens weinig die hun loon ervaren als een ‘handicap’. Deze begrippen vertolken dan ook uitsluitend het perspectief van zij die lonen betalen, niet dat van zij die ze ontvangen. Laat ons ook op dit punt enkele zaken op een rijtje zetten.

  1. Deze termen worden enkel gehanteerd wanneer het gaat om de lonen van ‘gewone’ werknemers. De toplonen van CEO’s en hogere kaderleden worden nooit betrokken in discussies over ‘loonlast’ of ‘loonkloof’, ook al zouden deze begrippen uitstekend toegepast kunnen worden op, bijvoorbeeld, de kloof tussen de lonen van de gemiddelde arbeider en die van de hogere kaderleden binnen een bedrijf. De begrippen worden, kortom, selectief gehanteerd (door de CEO’s bijvoorbeeld).
  2. ‘Loonkloof’ en ‘loonhandicap’ slaan op het feit dat lonen (de lonen uit punt 1, wel te verstaan) in ons land hoger liggen dan in de naburige landen. Althans, dit is de enige richting waarin deze begrippen gehanteerd worden: wij hebben een handicap omdat arbeiders elders nog minder verdienen dan wij. Men kan het ijkpunt moeiteloos omkeren: het probleem is niet dat arbeiders hier meer verdienen, wel dat arbeiders elders minder verdienen.
  3. Loon kan weliswaar als ‘last’ of als ‘handicap’ worden ervaren door zij die het moeten uitbetalen; ze moeten echter enkele dingen goed beseffen: (a) loon uitbetalen is geen vorm van liefdadigheid maar een contractueel overeengekomen plicht; (b) waarvoor ze eveneens iets terugkrijgen: arbeid, en via die arbeid kapitaal. Lonen worden steeds volledig terug verdiend via de prijs van het afgewerkte product.
  4. Wie toch blijft insisteren op de logica van ondernemers die ‘loonlast’ ervaren, kan even goed spreken van consumenten die ‘prijslast’ ervaren; ik ben namelijk ook de mening toegedaan dat ik veel te veel moet betalen voor mijn elektriciteit, gas, benzine, enzovoort.

‘Groei’ en ‘competitiviteit’

Twee andere termen verdienen onze aandacht, omdat ze net als de vorige uitermate frequent worden gehanteerd in de debatten over de sociaaleconomische politiek.

“Groei” is een oud begrip en het geeft het basismechanisme van een kapitalistisch systeem aan: het permanente streven naar de verhoging van de winsten.  Groei betekent dus in wezen ook enkel dat: de groei van de winsten van kapitalistische bedrijven, doorgaans gemeten door de waarde van de aandelen ervan.

Groei kreeg echter een ruimere definitie doorheen het ‘sociaal pact’ dat de naoorlogse West-Europese welvaartsstaat kenmerkte. Ook de arbeidersbeweging en de sociaaldemocratie schaarde zich achter het beginsel van de groei, want economische groei zou zorgen voor de algehele tewerkstelling – niemand zou werkloos zijn – en zou daardoor de algemene welvaart verhogen, want in een situatie van algehele tewerkstelling zouden de lonen een hoog peil moeten bereiken.

Noteer – en dit is uiterst belangrijk – dat de arbeidersbewegingen zich achter het streven naar groei schaarden omdat groei tewerkstelling zou scheppen. Ook vandaag de dag hoort men dit argument, dat groei intiem verweven is met de toename van de tewerkstelling. Niets is echter minder waar: door de transformaties van het kapitalisme in de afgelopen decennia zien we dat groei van de waarde van aandelen geen verband meer heeft met tewerkstelling, dan, doorgaans, een negatief verband. De waarde van aandelen van bedrijven stijgt wanneer er massale afdankingen binnen dat bedrijf plaats vinden. Economische groei staat op dit ogenblik volkomen los van het scheppen van arbeidsplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de relatie tussen groei en de hoogte van de lonen: precies het omgekeerde mechanisme is nu de regel. Er is maar groei in zoverre de lonen zeer laag worden gehouden, de arbeidsmarkt verregaand wordt ‘geflexibiliseerd’ (d.w.z. dat de economische onzekerheid afgewenteld wordt op de arbeider, die alle controle verliest over perioden van tewerkstelling, duur van tewerkstelling, vorm van tewerkstelling en voorwaarden voor tewerkstelling), en het volume van ‘vaste’ en ‘beschermde’ werknemers afgebouwd wordt ten voordele van het volume aan tijdelijke en deeltijdse werknemers, of ten voordele van onderaannemers.

“Groei” is vandaag dan ook een woord dat staat voor sociale afbraak, verarming en verhoogde uitbuiting, en wie streeft naar ‘groei’ – in deze betekenis – kan moeilijk een vriend van de linkerzijde zijn.

Idem met “competitiviteit”. Onze bedrijven zijn niet “competitief”, het “concurrentievermogen” van “onze economie” gaat in dalende lijn, en de “loonlasten” zijn daarvoor verregaand aansprakelijk. Zonder een verhoging van de “concurrentiekracht” van ondernemingen kunnen er ook geen arbeidsplaatsen geschapen worden.

De betekenis van “competitiviteit” is eenvoudig: een bedrijf is “competitief” wanneer het zijn concurrenten verslaat; dat wil concreet zeggen: wanneer het hogere winsten maakt dan de concurrenten. Het wordt heeft geen enkele andere betekenis in het publieke debat over deze zaken. Wanneer men ten voordele van de “concurrentiekracht” of “competitiviteit” van onze ondernemingen de belangen van een gehele samenleving wil opofferen, dan moet die samenleving goed beseffen dat zij daar in overgrote meerderheid geen belang bij heeft. De band met tewerkstelling en verloning hebben we al besproken – bedrijven maken slechts meer winsten in de huidige conjunctuur door de kost van de aangekochte arbeid te verlagen. Een concurrentiebeleid  houdt dan ook haast onvermijdelijk (a) een toename van de werkloosheid, (b) een toename van precaire arbeidsvormen – interim, deeltijds enz., en (c) een verlaging van de lonen in. Zowel ‘groei’ als ‘competitiviteit’ zijn dan ook begrippen die volkomen het standpunt van de ondernemingen vertolken, niet dat van de rest van de samenleving.

Kromtaal recht trekken

Zoals gezegd, het beginsel is eenvoudig. Stel gewoon de vraag: ‘wiens woorden zijn dat?’ het effect van die vraag is een hele analyse waarin je kromtaal niet enkel blootlegt, maar ook op een aantoonbare manier kan weerleggen.

Die kromtaal is immers verbijsterend absurd. Ik geef twee voorbeelden. Enkele maanden terug kwam oud-premier Yves Leterme, nu hoge pief bij de OESO, ons meedelen dat de lonen in dit land nog altijd veel te hoog lagen (niet die van CEO’s uiteraard, zie eerder), en dat het openbaar vervoer in dit land veel te goedkoop was. Ons land zou er dus, volgens Leterme en zijn OESO, op vooruitgaan wanneer (a) de mensen minder verdienen en (b) meer moeten betalen voor bepaalde basisbehoeften zoals transport. Minder verdienen en meer uitgeven: in mijn wereld betekent dat verarming. En die verarming zou ik dan als ‘vooruitgang’ of ‘verbetering’ van de toestand moeten begrijpen?

Het tweede voorbeeld sluit erbij aan. Onlangs liet de Trojka die de Eurocrisis moet bezweren weten dat Griekenland ‘op de goede weg’ was en ‘tekenen van herstel’ vertoonde. In diezelfde week kondigden drie grote Griekse universiteiten aan dat ze hun deuren moesten sluiten wegens tekort aan financiering. Enkele maanden eerder was (op aanbeveling van de Trojka) de Griekse openbare omroep al gewapenderhand stilgelegd. De enorme toename van de werkloosheid, de zeer grote inleveringen op loon van de Griekse werknemers, de drastische verlagingen van pensioenen en uitkeringen, het stilvallen van de basisgezondheidszorg, het huisvestingsprobleem – al die zaken zullen de Trojka beslist niet zijn ontgaan. Maar toch zijn net deze feiten ‘tekenen van herstel’. Ik slaag er niet in te begrijpen hoe de totale instorting van een samenleving als teken van herstel kan worden gezien – herstel waarvan? En wiens herstel?

We hebben in de delen hierboven een reeks begrippen uitgekleed, ze herleid tot hun werkelijke betekenis, en aangetoond dat ze ons manipuleren wanneer wij hen een objectieve en feitelijke waarde toekennen. We hebben die begrippen de afgelopen jaren miljoenen keren op ons afgevuurd gezien; velen onder ons zijn dan ook gewend geraakt aan hun manipulatief gebruik, en zijn ze zelf ook gaan gebruiken in die manipulatieve betekenis, ook al is dat regelrecht in strijd met de eigen belangen. Zo heb ik mensen horen pleiten voor “de stabiliteit van de Euro”, terwijl zij steeds minder van die Euro’s in bezit hadden.

Een tegenkracht moet intellectueel zijn als ze politiek wil zijn; ik bedoel ‘intellectueel’ hier niet in elitaire zin, integendeel. Ze moet intellectueel zijn omdat ze gedragen wordt door het kritische denkwerk van iedereen, jong en oud, man en vrouw, groot en klein in de samenleving. Iedereen moet in staat zijn creatief en kritisch analyses te maken en die goed beargumenteerd door te geven. De kritiek van woorden is daarbij een zeer belangrijke zet en een krachtig instrument, dat al bij al ook makkelijk te hanteren is.

Dat deze taalstrijd bij sommigen als ‘radicaal’ wordt ervaren nemen we er graag bij. We weten immers dat ‘radicaal’ meer zegt over degene die het woord gebruikt dan over degene op wie het wordt toegepast. En we weten ook dat onze kritiek vaak op eenvoudige common sense neerkomt. Via welke merkwaardige logica moet ik anders aanvaarden dat mijn toestand erop vooruit gaat wanneer ik armer word? Of dat mijn bedrijf gered wordt doordat ik mijn baan verlies