De N-VA en haar “Slag om België” 2014. De Vooruitgroep vraagt tekst en uitleg aan de N-VA

Nu de gemeenteraadsverkiezingen achter ons liggen en het directe electorale strijdgewoel is weggeëbd, is het volgens de Vooruitgroep tijd voor een grondige analyse van de politieke situatie, met name van de verkiezingsoverwinning van de N-VA van oktober als opmaat naar de Vlaamse en federale verkiezingen van 2014.

Het is bekend dat de verkiezingen van 2012 voor de N-VA als Slag om Vlaanderen een voorproef moesten worden van de Slag om België, die in 2014 gestreden gaat worden. Ook de inzet is bekend: de partij wil een dermate goed resultaat neerzetten dat ze écht incontournable wordt. Ze kan de Vlaamse regering dan naar haar hand zetten, terwijl ook een federale meerderheid zonder haar eenvoudigweg niet meer gevormd kan worden.

Dat bezorgt haar dan de hefboom om het huidige België uit zijn hengsels te tillen en een confederaal België met een semionafhankelijk Vlaanderen af te dwingen. Of misschien wel een onafhankelijk Vlaanderen tout court!

In deze artikelenreeks willen we deze strategie op haar haalbaarheid en risico’s toetsen. De inschatting van de Vooruitgroep is dat de N-VA wel een strategie heeft om de volgende verkiezingen te winnen en België onbestuurbaar te maken, maar geen plan heeft dat vorm en inhoud geeft aan haar (confederaal?) project.

Wat de partij nog minder lijkt te hebben is een strategie voor de overgang van het huidige België naar de nieuwe staatsstructuur. Hier gaat het om de vraag hoe we op een liefst vreedzame wijze en met zo gering mogelijke collaterale effecten van de oude tot de nieuwe situatie zouden kunnen komen.

Zulke vragen zijn niet triviaal want de overgang van het ene naar het andere staatsmodel is een ingewikkeld proces met vele onbekende factoren, zeker in een tijd van financieel-economische crisis en internationale instabiliteit. Of zoals Wim Kan ooit zei: “Je weet wat je hebt, niet wat je krijgt”. De Vooruitgroep vindt dat de burgers in dit land recht hebben op een realistische risico-inschatting rond dit project.

Geen zinnig mens zal immers bereid zijn mee te stappen in dit traject om er slechter van te worden. Een beroep op alleen maar geloof in de goede afloop, zou ongelooflijk naïef zijn. Wie een medicijn verkoopt moet de werking van het middel kennen en kunnen informeren over mogelijke neveneffecten en hoe die te beperken. De bewijslast ligt dus bij de N-VA!

Vele waarnemers hebben al op risico’s gewezen. Ze worden bijna altijd zonder verdere argumentatie weggezet als pessimisten of Belgische nostalgici die de mensen bang willen maken. Zelf blijft de partij altijd vaag over de risico’s. Waar al aan argumentatie werd gedaan, was die achteraf zo goed als altijd overdreven optimistisch, om niet te zeggen, aantoonbaar fout.

Die vaagheid en dat sussende optimisme van “ach, geloof ons maar” zijn eigenlijk onaanvaardbaar. Vandaar deze verkennende analyse, die in het laatste deel van de reeks tot tien pertinente vragen zal leiden waarop Bart De Wever en de N-VA antwoord moeten geven.

In de democratie van geïnformeerd burgerschap die wij voorstaan, hebben burgers recht op die informatie. Ze moeten de kwaliteit van de antwoorden kunnen beoordelen om de haalbaarheid van het voorgestelde project te bepalen. Daarom moeten volgens de Vooruitgroep vragen als de onze van nu tot 2014 de kern uitmaken van het maatschappelijk debat rond de toekomst van het land.

Natuurlijk is op dit ogenblik nog veel onbekend. Toch leveren de jongste gemeenteraadsverkiezingen van 2012 en de wijze waarop De Wever met zijn Antwerpse overwinning omgaat, flinke aanwijzingen op. Daarom gaan de eerste bijdragen in op de verkiezingen van 14 oktober 2012 en op de politieke situatie die daarna is ontstaan. We analyseren de ‘Slag om Antwerpen’, die in feite een Slag om Vlaanderen had moeten zijn. De Vooruitgroep ziet in die analyse weinig geruststellende elementen.

Deel 1. 2012: Slag om Vlaanderen: gewonnen of onbeslist?

Dat de N-VA de grote winnaar is van de gemeenteraadsverkiezingen staat vast. Maar heeft deze overwinning het verhoopte schokeffect opgeleverd dat voor de 2014-strategie nodig was? Is de N-VA erin geslaagd om de Franstaligen en de andere Vlaamse partijen het signaal te sturen dat hetcompromis belge zijn tijd heeft gehad en de Vlaamse revolutie – de verandering! – onomkeerbaar begonnen is?

Als we de commentaren op televisie de avond van de verkiezingen en die in de pers de dagen nadien bekijken, lijkt deze vraag met ja te moeten worden beantwoord. Zelfs de nuchtere Nederlandse Volkskrant was onder de indruk en vond zelfs dat de Franstalige politici nu al conclusies moesten trekken. Volgens de Nederlandse krant heeft de N-VA met haar zege bewezen de vertolker te zijn van een grondstroom. “De Vlamingen willen een ander België en zijn bereid om er een hoge prijs voor te betalen.”, zo heette het.

Is die conclusie gewettigd? Is de uitslag van de N-VA in het licht van de strategie-2014 echt zoals verhoopt? Er zijn vele redenen om daar vraagtekens bij te zetten. Toen de partij begin van dit jaar haar strategie uitzette en haar kopstukken naar voren schoof, bleek de ambitie veel groter dan alleen maar het Antwerpse Schoon Verdiep in te nemen. De N-VA moest zich niet alleen overal in Vlaanderen lokaal verankeren, maar zou ook tabula rasa maken in de grootste Vlaamse steden, niet alleen in Antwerpen, maar minstens ook in Brugge en Gent.

In alle drie de steden beschikte de N-VA over kopstukken met allure: respectievelijk partijleider Bart De Wever (Antwerpen) en de mediafiguren Pol Van den Driessche (Brugge) en Siegfried Bracke (Gent). De traditionele beleidspartijen zouden in deze drie provinciehoofdsteden even flink op hun nummer worden gezet.

Op basis van de uitslagen in 2010 leek dat ook in Brugge en Gent moeiteloos te zullen lukken. Bracke haalde toen in Oost-Vlaanderen een fenomenaal resultaat, gebruik makend van zijn bekendheid en gezag als journalist van de VRT. In het kanton Gent was de N-VA dankzij Bracke in 2010 al de grootste, met 22,15 procent van de stemmen. Bracke haalde er meer dan 12.000 voorkeurstemmen en liet daarmee iedereen achter zich.

Ook in Brugge was de N-VA met haar 25 procent voor de Kamer en 31 procent voor de Senaat al afgetekend de grootste partij. Het aantrekken van een bekend gezicht kon alleen versterkend werken.

De uitgangssterkte van de partij liet dus het beste verhopen. Toch werd de slag om Gent en Brugge onmiskenbaar verloren. Nog in het voorjaar moest Van den Driessche zich terugtrekken, nadat hij als persoon in opspraak was gekomen. Hij trad terug als kandidaat-burgemeester maar zou wel campagneleider blijven. De N-VA-lijst klokte uiteindelijk af op 19,8 procent, ruim 5 procent lager dan de uitslag van 2010. Hetzelfde gebeurde in Gent. De partij haalt er nu nog 17,7 procent. De 12.000 voorkeurstemmen voor Bracke uit 2010 zijn afgekalfd naar 8.500 in 2012.

Er is dus niet alleen geen doorbraak in die steden, de partij gaat er telkens gevoelig op achteruit. Ook de andere centrumsteden laten een genuanceerd beeld zien. CD&V blijft bovendien de leidende partij in de landelijke gemeenten. Van een tabula rasa is dus geen sprake.

In feite kan men zeggen dat generaal Bart met zijn overwinning in Antwerpen voor de strategie-2014 de meubelen heeft weten te redden. Als hij het daar niet had waargemaakt, had de N-VA depolitieke mislukking van deze stembusgang niet meer kunnen verdoezelen, zelfs al zou de partij de onmiskenbare winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen zijn gebleven.

De grote concentratie van de media op de spektakelmatch tussen Janssens en De Wever, en diens retorische en zorgvuldig geënsceneerde zegepraal op de verkiezingsavond, leidde de aandacht af van het mislukken van de slag om Brugge en Gent. De partij had haar statement gemaakt, de Vlaamse revolutie was begonnen.

Toch is niet iedereen in die mediavalkuil getrapt. Eén van die aandachtige waarnemers is Bart Maddens, vooraanstaand lid van de Gravensteengroep, en verklaard sympathisant van de 2014-strategie van de partij. Hem is het alvast niet ontgaan dat de partij globaal genomen – en voor zover vergelijking mogelijk is – amper een procent vooruit gaat tegenover 2010. De 28,6 procent die de partij haalt over heel Vlaanderen mag voor de gemeenteraadsverkiezingen indrukwekkend zijn, de score is ver weg van de 37 tot 40 procent die de jongste peilingen lieten registreren.

Uit zijn opiniestukje getiteld ‘Kroniek van een aangekondigde nederlaag?’ spreekt bezorgdheid over de goede afloop van 2014: “Maar de partij doet er, met 28,6 procent, nog een procent bij. Dit mag vandaag dan al een onverhoopt groot succes zijn, in 2014 zou het een ontgoochelende score zijn. Want daarmee wordt de N-VA niet incontournable in Vlaanderen.” Explicieter nog: “De conclusie van dit alles is dat 2014 voor de N-VA wel eens een kroniek zou kunnen worden van een aangekondigde nederlaag.”

Voor haar politieke doelstellingen is deze verkiezingsronde dus geen onverdeeld succes is geweest. Alleen de goede score van De Wever zelf in Antwerpen heeft ervoor gezorgd dat de wedstrijd voorlopig onbeslist is geëindigd en de strategie-2014 het voordeel van de twijfel krijgt. Als boegbeeld haalt De Wever in Antwerpen met zijn 37,7 procent wel een opmerkelijk resultaat. Dat resultaat in zijn eigen stad moet hij straks evenwel in heel Vlaanderen zien te evenaren!

Deel 2. Bevrijde of bezette stad? Antwerpen na 14 oktober

Laten we ons in wat volgt op de Antwerpse situatie na de verkiezingen concentreren. De Wever haalde daar dus net geen 38 procent. Dat was voldoende voor de triomftocht en het zegegebaar naar de juichende aanhang op het balkon van het stadhuis. Voor de eigen achterban heette het dat ‘t Stad misschien wel van iedereen is, maar vanavond toch “vooral van ons”.

Juist deze verklaring roept meteen een reeks vragen op. 38 procent is veel, maar het is nog steeds geen meerderheid. Zelfs in zijn eigen achtertuin heeft meer dan 60 procent van de kiezers zich niet expliciet achter De Wever en de N-VA geschaard, niet als burgemeester en bestuursploeg voor hun stad, en dus zeker niet als steunbetuiging aan de 2014-strategie of als Vlaams revolutiesignaal aan de belastingsregering’ Di Rupo en aan Franstalig België.

De eerste vraag die zich opwerpt is derhalve hoe De Wever zal omgaan met die 60 procent-meerderheid die niet voor hem en zijn partij heeft gekozen. Hoe zal hij hen bij (minstens) zijn stadsproject weten te betrekken? Hoe zal hij de andere partijen die hij nodig heeft voor zijn meerderheid bij de coalitievorming benaderen en welke speelruimte zal hij hen laten om zich te profileren en eigen bestuursaccenten te leggen?

Voor de Vooruitgroep is de vorming van een bestuurlijke meerderheid in Antwerpen en het beleid dat die meerderheid vervolgens gaat voeren een belangrijke testcase voor de wijze waarop N-VA omgaat met andere opvattingen en de publieke opinie als geheel.

De voortekenen zijn niet geruststellend. Tijdens de lange formatie na de verkiezingen van 2010 liet De Wever zich een aantal keren betrappen op uitspraken die een wel heel bijzondere opvatting over democratie verraden. Zo verzette hij zich eerst tegen onderhandelingen met alle partijen die nodig waren voor een staatshervorming. Hij wilde vooral als leider van de sterkste Vlaamse partij rechtstreeks zaken doen met zijn Franstalige tegenpool Di Rupo. Die moest een eventueel akkoord tussen hen beiden dan maar aan zijn gemeenschap ‘verkopen’, zo verklaarde hij.

Men zal zich misschien ook nog herinneren dat hij in die periode ook probeerde af te dingen op de positie van Groen, en het recht van die partij om op voet van gelijkheid met de andere partijen naar overeenstemming te zoeken. Dit verraadt een opvatting over een gespierde democratie waarin de relatief sterkste partij de lakens uitdeelt en de anderen dat maar lijdzaam moeten ondergaan.

De inzet van verkiezingen wordt daarmee zo goed als uitsluitend het bepalen van de relatieve meerderheid (die nog steeds een minderheid is). Die haalt daaruit vervolgens de legitimatie om de politieke scène te domineren en het alleenrecht te verwerven om de politieke bakens uit te zetten.

Standpunten en benaderingen die zich in de stembusgang niet als sterkste hebben kunnen manifesteren verliezen daarbij hun legitimiteit en moeten in het beste geval maar wachten tot met nieuwe verkiezingen een nieuwe kans aanbreekt. Dat komt neer op een reductionistische interpretatie van het democratische krachtenspel. De Antwerpse politiek zal de komende maanden een belangrijke testcase vormen voor deze hypothese!

Een onrustwekkend voorteken is verder de wijze waarop de N-VA campagne heeft gevoerd. Haar optreden, met name ook juist door de bewuste vermenging van het gemeentelijke discours met haar federale politieke doeleinden, heeft heel sterk polariserend gewerkt.

De grenzen van de politieke strijd zijn verlegd van een gezonde concurrentie tussen verschillende visies op de uitdagingen van een grote stad als Antwerpen, waarna vervolgens toch weer zaken kunnen worden gedaan, naar een genadeloze strijd van één tegen allen, waarbij alleen de sterkste recht van spreken heeft en de verliezers lijdzaam moeten toezien.

Op basis van de uitslag lag een coalitie tussen de N-VA enerzijds en de Stadspartij (eigenlijk SP.A en CD&V) anderzijds voor de hand. De objectieve verschilpunten in de programma’s waren beslist niet onoverbrugbaar. Bovendien vormen de drie genoemde partijen ook de meerderheid in het Vlaamse parlement en hebben ze de afgelopen jaren ook in Antwerpen samen bestuurd. Hoe komt het dan dat een samenwerking nu kennelijk meer weerstand oproept en ernstige psychologische drempels lijken te bestaan?

De persoonlijke frustratie van Janssens is onvoldoende als verklaringsgrond. Met het bewust opdrijven van tegenstellingen en het creëren van een klimaat van één tegen allen kan men misschien wel een verkiezing winnen, maar die keuze werkt sterk polariserend. Veel van die polarisatie situeert zich op de links-rechts-as. De Wever wil niet alleen een zelfstandig Vlaanderen, hij wil vooral ook een behoudsgezind, rechts beleid.

De Vooruitgroep ziet in dat alles een onrustbarend voorteken van een paradigmawissel in de politieke strategie van het Vlaams-nationalisme. Sinds het ontstaan van de Volksunie bestond de Vlaams-nationale strategie erin om te ijveren voor een zo breed mogelijke Vlaamse consensus. Alle Vlaamse partijen moesten ‘aan hetzelfde zeel trekken’ om eensgezind de Vlaamse eisen op tafel te leggen en de gewenste hervormingen af te dwingen.

De onderlinge tegenstellingen zoals tussen links-rechts of gelovig-ongelovig moesten tijdelijk worden onderdrukt en ondergeschikt gemaakt aan het verwezenlijken van het gezamenlijke doel. De traditionele Vlaams-nationale leer heeft hier zelfs een woord voor: ‘godsvrede’. De Vlaams-nationale partij vervulde in dat krachtenspel een zweepfunctie, waarmee ze de andere partijen dwong tot een zo Vlaams mogelijk profiel.

Het lijkt erop dat deze strategie vervangen is door een uitsluitend geloof in eigen kracht. Meer en meer tekenen wijzen erop dat de N-VA het samenwerkingsmodel van de godsvrede heeft verlaten en vervangen door een exclusiviteitsmodel, waarbij alleen zij in naam van Vlaanderen kan en mag handelen. De hele strategie-2014 lijkt de concrete uitwerking van dit monopoliedenken: zo groot worden dat men alles kan blokkeren en zijn wil kan opleggen.

Dat leidt echter tot grote veranderingen in het politieke krachtenveld. Deze strategie zelf zorgt ervoor dat niet alleen de Franstaligen als tegenstrevers gelden, maar ook de andere Vlaamse partijen en uiteindelijk het andere deel van het kiezerskorps en van de publieke opinie, ook in Vlaanderen zelf. Deze benadering zal bijna zeker als een splijtzwam gaan werken, waarbij het Vlaanderen dat zich niet tot de zogenaamde ‘grondstroom’ heeft verklaard mag vrezen om gedelegitimeerd en gemarginaliseerd te worden.

Zeker, de bovenstaande indrukken gelden als een voorlopige werkhypothese, die nog door de feiten bevestigd moet worden. De komende weken en maanden zullen hierover duidelijkheid scheppen. Intussen is van de kracht van verandering niet veel te merken. Het bestuursakkoord laat zich vooral lezen als voortzetting van wat de voorbij jaren was ingezet.

De enige opvallende vernieuwing is dat De Wever het allerslechtste uit de Wetstraat lijkt te hebben geïmporteerd naar de stad aan de Schelde en zijn Schoon Verdiep. Gedurende weken gedroeg hij zich als formateur die moeilijke posities moest aftasten en daarover slechts zeer cryptische uitspraken kon doen. Een theater dat ontegensprekelijk media-aandacht oplevert, maar van het politieke bedrijf vooral ook een retorisch spektakelstuk maakt.

Het is maar te hopen dat De Wever met het formateurscircus niet ook de politique politicienne naar Antwerpen zal gaan importeren. Het getrouwtrek tussen Janssens en De Wever rond Groen en het losweken van CD&V uit de Stadslijst zijn weinig verheffende voorbeelden van politieke vernieuwing. Het weren van eerst Groen en vervolgens van de SP.A verraden een grote aversie voor alles wat niet conservatief en rechts is.

Die aversie tegenover de linkerzijde zoekt de polarisatie bewust op en leidt tot een onvermogen om tegenstellingen te overbruggen. Voor het ‘staatsvormend’ project van de N-VA doet dat afbreuk aan het brede maatschappelijk draagvlak dat onontbeerlijk lijkt. Het is dus de N-VA zelf die de godsvrede doorbreekt.

Evenmin geruststellend is de houding van de partij ten aanzien van meerderheden zonder de N-VA in de districten. Dat geldt in de eerste plaats het districtsbestuur van Borgerhout, waar SP.A-Groen inmiddels een bestuursakkoord heeft gesloten met de PVDA, wat de N-VA in deze deelgemeente in de oppositie doet belanden.

De Wever en Homans trokken hiertegen fel van leer. Gaat het hier evenwel niet om een natuurlijk gevolg van een keuze voor een decentraal bestuursmodel, waarbij de stad niet enkel centraal wordt bestuurd, maar districtsorganen eigen, beperkte verantwoordelijkheden hebben? Is hier niet hetzelfde aan de hand als tussen de federale en de Vlaamse bestuursorganen, waarbij zich eveneens verschillende politieke meerderheden voordoen? In Borgerhout is SP.A-Groen nu eenmaal de grootste politieke formatie, met om en bij de 35 procent, en is het dus normaal dat zij een partner van haar voorkeur kiest.

Uit de verkiezingsuitslag komt trouwens nog een andere tegenstelling naar voren, namelijk op de as kernstad – rand. In de oude stadskern haalt de N-VA minder stemmen. Het is vooral de kleinburgerlijke rand die uitgesproken voor de N-VA opteert. Die rand wordt in de voorstellen van De Wever trouwens op haar wenken bediend, bijvoorbeeld op het gebied van automobiliteit. Het optreden van De Wever tot nu toe laat vermoeden dat de bereidheid om met zulke schakeringen rekening te houden in het beleid, zeer gering is.

Dat alles lijkt te bevestigen wat de Vooruitgroep al langer vermoedt, namelijk dat de N-VA, zoals ook haar voorganger Volksunie, geen voorstander is van federalisme of confederalisme vanuit een democratische keuze voor decentraal bestuur, waarbij zoveel mogelijk bevoegdheden op een zo laag mogelijk niveau worden geplaatst, dus zo dicht mogelijk bij de burger.

Het federaal of confederaal model is voor het Vlaams-nationalisme slechts een breekijzer voor de afbraak van het centrale Belgische beleidsniveau en – uiteindelijk – voor de ontmanteling van België. De Vlaamse machtsopbouw is dan ook behoorlijk centralistisch. Nu het centrale stadsbestuur door de N-VA wordt gedomineerd, heeft de partij het blijkbaar moeilijk met meerderheden zonder de N-VA op districtsniveau of met verschillen in behoeften en belangen tussen de kernstad en de rand.

Het is een zoveelste aanwijzing voor een beperkende visie op de democratie. We kunnen hier spreken over hegemonisme, waarbij de N-VA uit haar relatieve meerderheidspositie de legitimiteit van een soort alleenrecht of absolute dominantie lijkt te halen. Vanuit een gelaagde, decentrale benadering van politieke macht is er dus een duidelijke tegenspraak tussen de federalistische theorie waaraan men lippendienst bewijst, en een centralistische en hegemonistische praktijk.

De partij heeft daarbij niet nagelaten om zwaar uit te halen naar de PVDA, met beschuldigingen van sektarisme, gebruik van geweld en extremisme. De SP.A en Groen krijgen bovendien het verwijt van tegenstrijdigheid en selectiviteit in hun houding ten aanzien van de PVDA, vergeleken met die rond Vlaams Belang, aangezien ze ‘extreemlinks’ wel bij een bestuursmeerderheid betrekken en ‘extreemrechts’ per definitie niet.

Eigenlijk is die houding van de N-VA zelf ietwat contradictorisch, want ze is zelf altijd kritisch geweest tegenover het isoleren van Vlaams Belang, met name door het zogenaamde cordon sanitaire. En nu zou dus de PVDA uitgesloten moeten worden? Tussen Vlaams Belang en PVDA bestaat nochtans een objectief verschil dat een verschillende behandeling wettigt.

De eerste partij heeft de neiging om ‘onderscheid’ te maken tussen bevolkingsgroepen en de andere niet. De PVDA vertegenwoordigt een groeiende onderstroom in de stedelijke samenleving, die van een onderklasse die zich in het traditionele politieke discours niet vertegenwoordigd ziet en zich van de politiek had afgekeerd. Dat geldt zeker voor districten zoals Hoboken, Borgerhout en Deurne, waar de PVDA hoger scoort dan in Antwerpen als geheel.

Vanuit democratisch perspectief zou men de PVDA dankbaar moeten zijn dat ze de uitgesloten groepen weer een stem geeft en in het politieke krachtenspel weet te betrekken. Dat het juist de N-VA is die niet terugschrikt voor verkettering van politieke tegenstanders, is alweer een tegenspraak, want de partij klaagt juist zelf aan dat ze verketterd wordt.

De Wever en de N-VA maken zich voortdurend schuldig aan zulke contradicties. Ze zijn voortdurend met zichzelf in tegenspraak. Dat verraadt een cynische kijk op het politiek bedrijf, waarbij men zich zelfs niet meer om coherentie bekommert. Politiek wordt dan al gauw uitsluitend een strijd rond percepties en machtsverwerving met alle middelen, waarbij waarheid en coherentie wel de laatste zorgen zijn.

Natuurlijk verraden de zware uitvallen naar de PVDA een grote nervositeit. Men is bang zijn overwinning onvoldoende te kunnen verzilveren in de praktijk. De aanwezigheid van een vierkoppige fractie van de PVDA in de gemeenteraad en de spectaculaire groei van die partij in verschillende Antwerpse districten maakt haar tot een nieuw fenomeen in de stad.

De N-VA profiteerde tot nu van haar exclusiviteit als nieuwe politieke kracht en speelde dat ook heel goed uit tegen de traditionele partijen, die impliciet het verwijt kregen principeloze, vermolmde machtspartijen te zijn die enkel belangstellen in de postjes.

De nationalistische partij krijgt nu concurrentie van een nieuwe anti-systeemkracht aan de andere kant van het politieke spectrum. Juist ook een partij die niet, zoals de andere Vlaamse partijen, door het communautaire discours wordt beïnvloed. De PVDA heeft als enige partij een Belgische unitaire structuur en staat vanouds heel sceptisch tegenover nationalisme en Vlaamse staatsvorming.

De doorbraak van de PVDA maakt deel uit van een bredere kritische stroom, waarvan zeker ook Groen deel uitmaakt. Speerpunt binnen die kritische beweging was het mobiliteitsdossier, met name het verzet tegen de Oosterweelverbinding, dat gedragen werd door een brede burgerbeweging. In de verkiezingscampagne werd al duidelijk hoe het stadsproject van De Wever teruggrijpt naar oude opvattingen uit de jaren zestig.

De vooruitgang van beide polen ter linkerzijde zet nu de centrumkoers van de Antwerpse SP.A onder druk. De mislukking om als Stadslijst in coalitie met CD&V het stadsbestuur in handen te houden, staat in schril contrast met het succes van het Rood-Groene kartel in Gent, dat met een progressief programma naar de kiezer trok en de N-VA zonder moeite achter zich wist te houden.

De ontwikkelingen ter linkerzijde zouden het De Wever en zijn imago van onkreukbare kracht van verandering wel eens heel moeilijk kunnen maken. De intrede van de partij van Peter Mertens zal druk uitoefenen op SP.A en Groen, nu Mertens heeft aangetoond dat een uitgesproken sociaal profiel electoraal wervend kan zijn. Dat kan misschien zorgen voor een meer expliciet sociaal en links oppositiediscours in het algemeen. Vooral de SP.A had de jongste jaren danig last van profileringsangst, uit schrik om de centrumkiezer van zich te vervreemden.

Nu al deze partijen samen op de oppositiebanken zitten, dreigt de politieke strijd zich in Antwerpen heel nadrukkelijk af te spelen op de scheidslijn tussen links en rechts. Het ziet er zelfs naar uit dat de links-rechts-tegenstelling in Vlaanderen sinds 1960 niet meer zo scherp is geweest! Als Vooruitgroep juichen we dat toe, omdat dit de politieke duidelijkheid ten goede komt en mensen voor de keuze stelt tussen een exclusief rechts en een inclusief links project.

Voor de N-VA houdt dit zoals gezegd het risico in dat ze het maatschappelijk draagvlak voor haar kernmissie – de Vlaamse staatsvorming – , zelf ondermijnt en uiteindelijk in gevaar brengt. Dat juist de stad die voor de 2014-strategie van de N-VA de meubelen heeft gered, tegelijk de doorbraak van een partij links van de SP.A en Groen heeft mogelijk gemaakt, zou voor De Wever wel eens meer dan een vervelende bijkomstigheid kunnen blijken!

Deel 3. Wat staat er op het spel? De Slag om België

Dat de N-VA al enkele jaren de wind flink in haar electorale zeilen heeft staan, is natuurlijk een feit. Haar succes hangt zeker ook samen met de populariteit van Bart De Wever, die een goed communicator is. Hij is erin geslaagd om de hele politieke strijd te organiseren op zijn geliefkoosde domein: dat van de Vlaams-Waalse tegenstellingen en het nationalistische Vlaamse project. Hij is er bovendien in geslaagd om voortdurend in de schijnwerpers van de media te staan.

Toch zou het naïef zijn om het succes van de N-VA volledig te herleiden tot een persoonlijk succes van een handige mediaster. Het is wel degelijk zo dat dit succes stoelt op gevoelens die in brede lagen van de Vlaamse bevolking leven en die de N-VA beter dan alle andere partijen weet te bespelen.

Betekent dat nu dat een snel groeiend deel van de bevolking ineens de nationalistische thesis onderschrijft en het Vlaams-nationale project in zijn volle breedte in de armen heeft gesloten? We geloven van niet. Uit alle ernstig opinie-onderzoek blijkt dat de Vlaming zich nog meer met ook België identificeert dan De Wever en Bourgeois lief is en overigens in vele gevallen geen tegenspraak ziet tussen een Vlaamse en een Belgische identiteit. Vele mensen voelen zich én Vlaming én Belg, zoals in Duitsland iemand zich tegelijk Bayer en Duitser kan voelen.

Toch is N-VA erin geslaagd om brede lagen van die bevolking ervan te overtuigen dat Vlaanderen in zijn dynamiek en ontwikkeling afgeremd wordt doordat het de ‘ballast’ van de Belgische besluiteloosheid en het economisch armlastige Wallonië meesleept. Het sentiment waarop dit succes stoelt heeft volgens ons een culturele en talige dimensie, in de lijn van de traditionele Vlaamse Beweging maar ook een sociaaleconomische, in de lijn van VOKA.

Wat het culturele element betreft zien we een vrees dat de toenemende internationalisering het Vlaamse karakter van de samenleving zal aantasten. Eén van die aspecten is zeker een vrees voor toenemende verfransing, niet alleen in de Rand maar in een ruimere cirkel daaromheen. De discussie rond de schepen van Vlaamse zaken in Aalst illustreert dit.

De vrees voor het uitzwermen van Brussel is trouwens al lang niet meer een vrees voor Franstalige Belgen alleen, maar ook voor Brusselaars van andere, niet-Belgische origine, vooral van mensen uit de lage inkomenscategorieën. Het is een bijzondere vorm van de pleinvrees ten aanzien van de toenemende diversiteit, die ook regio’s kenmerkt die niet door verfransing worden bedreigd.

De N-VA beantwoordt dit sentiment door haar hang naar een taalhomogeen en cultureel homogeen Vlaanderen. Ze gebruikt dit sentiment bovendien om de hegemonie van het nationalisme zelfs via het straatbeeld te vestigen.

Op sociaaleconomisch vlak ligt de sleutel van het succes in de angsten en frustraties van een steeds groter deel van (voornamelijk) de middenklasse, die het objectief gesproken nog goed heeft maar haar welstandsperspectief bedreigd weet. Dat schept een voedingsbodem voor de mythe van de hardwerkende Vlaming wiens vruchten van arbeid en ijver steeds meer door parasiterende lagen wordt afgeroomd: niet enkel de ‘luie’ Walen in hun hangmatten aan de Samber en Semois, maar binnen de eigen regio ook de leefloners, de asielzoekers en vreemdelingen in het algemeen.

Ook op dat sentiment speelt de partij in. Zij schaart zich daarbij eenzijdig achter de belangen van de Vlaamse ondernemers die de concurrentiekracht en vooral de winstverwachtingen van het bedrijfsleven willen verbeteren en het daarbij vooral op de loonkosten en de sociale voorzieningen hebben gemunt.

Het succes van de N-VA schuilt hem in die innige band tussen de culturele pleinvrees van de middenklasse en haar gevoel van bedreiging van haar economische positie, die zich verbinden in een afkeer om te delen, rijkdom zowel als ruimte. Het benaderen van de stad vanuit het overwegend perspectief van de stadsgebruiker maakt hiervan deel uit. Het succes van de N-VA is dus goeddeels toe te schrijven aan een verrechtsing en verkramping van de Vlaamse middenklasse.

Een volgende factor van succes is het aureool van beginselvastheid van De Wever en de N-VA. De beslissing van de partij om er een aantal keren de stekker uit te trekken (2007 en 2011) heeft dit imago versterkt. Ze is er handig in geslaagd om zich een anti-establishmentsimago aan te meten en te doen geloven dat de traditionele partijen voortdurend toegevingen doen aan de Franstaligen omdat ze hun eigen positie en macht boven het belang van Vlaanderen stellen.

Dit imago van onbuigzaamheid heeft haar electorale opgang mede mogelijk gemaakt en die opgang heeft vervolgens geleid tot de verandering in strategie die we eerder hebben geschetst. De partij streeft niet meer zozeer naar bevordering van Vlaamse eensgezindheid tussen de verschillende partijen; ze vertrouwt nu in wezen alleen op zichzelf en wil haar Vlaamse doelstellingen vooral eigenhandig verwezenlijken, tegen alle andere politieke actoren in.

De N-VA profileert zich daarmee als enige legitieme vertegenwoordiger van de ‘Vlaamse natie’, niet alleen dus tegen het Franstalige en Belgische establishment, maar ook tegen de andere Vlaamse traditionele partijen in, die zich steeds te veel als lakeien of ‘lamme goedzakken’ hebben laten gebruiken. Het electoraal succes van de partij heeft haar geloof versterkt dat ze voor een historische opdracht staat en die kans met beide handen moet aangrijpen om haar einddoel, de Vlaamse staat, definitief op de geschiedenis te veroveren.

Het is volgens de Vooruitgroep juist dit besef van de historische kans van ‘nu of nooit’ die de partij aanzet tot het nemen van grote risico’s. Het is zeer de vraag of degenen wier ressentiment als voedingsbodem voor het succes van de N-VA heeft gediend, tot dezelfde risico’s bereid zullen zijn.

De N-VA wil van de volgende Vlaamse én federale stembusgang, die zonder vroegtijdige regeringscrisis in 2014 moet plaatsvinden, de moeder van alle verkiezingen maken. Die stembusgang moet haar zo groot maken dat er zonder haar eenvoudigweg niets meer mogelijk is. Ze kan dan de normale werking van de instellingen blokkeren en de hervormingen afdwingen die ze nodig acht.

Deze holistische strategie die met de woorden van Queen omschreven kan worden als “I want it all and I want it now” is gebaseerd op de zogenaamde Maddensdoctrine. Die komt erop neer dat hervormingen gedoemd zijn om te mislukken zolang de Vlamingen vragende partij zijn en de Franstaligen daar geen direct belang bij hebben. Die kunnen dan eenvoudigweg ‘non‘ zeggen of zware compensaties eisen.

Vlaanderen moet zo sterk staan dat het alles kan tegenhouden wat de Franstaligen willen, zodat die de hervormingen wel moeten accepteren. Dat klinkt allemaal eenvoudig, maar is dat ook werkelijk zo?

Om te beginnen is niet duidelijk waarop de partij voor 2014 inzet. Een eerste mogelijkheid is dat ze inzet op een hervorming binnen een nog federaal model, min of meer op de leest van de voorstellen die ze zelf in 2010 nog deed. Het moet dan wel gaan om een hervorming die neerkomt op wat in het Vlaamse politiek jargon (ten onrechte)[1] een Copernicaanse omwenteling heet, een hervorming die de verhouding tussen de deelstaten en het federale niveau fundamenteel omdraait in het voordeel van de deelstaten.

Daarin passen fiscale autonomie en heldere en in de tijd dovende solidariteitsmechanismen tussen de deelstaten, wellicht ook een splitsing van het arbeidsrecht, het vennootschapsrecht en (een groot deel van) de sociale zekerheid.

Een tweede mogelijkheid is dat de partij kiest voor een vlucht vooruit en inzet op de omvorming van België tot een confederatie, een bond dus van autonome staten die alleen nog wat dingen samen regelen. Dit confederaal model is het verklaarde einddoel van minstens een deel van de politieke wereld, CD&V op kop.

Een derde mogelijkheid, ten slotte, bestaat erin dat de N-VA haar unieke machtspositie wil gebruiken om haar einddoel te verwezenlijken: een volledig onafhankelijk Vlaanderen als aparte lidstaat van de Europese Unie. In 2014 bereikt de partij electoraal misschien wel een absoluut hoogtepunt. Waarom dan niet nu een historische kans grijpen die misschien nooit meer terugkomt?

Bart De Wever en de N-VA zijn tot nu toe niet duidelijk in een keuze tussen de bovenstaande scenario’s. Ze willen in 2014 incontournable worden, maar om wat te doen? Op haar website beantwoordt de partij de vraag “Wil de N-VA het einde van België?” nog sussend als volgt:

“De N-VA wil geen revolutie en beoogt geen secessie. Wel streven we naar een evolutie naar meer democratische en meer efficiënte structuren. We willen daarbij stap voor stap gaan. We geloven in een graduele evolutie waarbij steeds meer bevoegdheden worden overgeheveld in de richting van Vlaanderen en Europa en waarbij het federale niveau geleidelijk aan verdampt. Ons einddoel is inderdaad een onafhankelijk Vlaanderen als lidstaat van Europa, maar de weg daar naartoe is geleidelijk en moet zich op een democratische manier voltrekken”.

Het is duidelijk dat de partij potentiële kiezers niet wil afschrikken, omdat ze beseft dat de opsplitsing van België voor een meerderheid in Vlaanderen op dit ogenblik geen optie is. Maar verwoordt deze passage op de website van de N-VA nog wel de werkelijke bedoelingen van de partij?

Is er in alle ernst nog iemand in Vlaanderen die gelooft dat de inzet van de strategie-2014 bestaat in de geleidelijke evolutie, waarbij men het federale niveau zachtjes wil laten verdampen en bereid is het met alle palliatieve zorgen te omringen? De wijze waarop de partij het discours polariseert wijst eerder op een schoktherapie dan op wegen van geleidelijkheid.

De 2014-strategie houdt in dat de N-VA van de volgende federale en Vlaamse verkiezingen een plebisciet wil maken dat haar een sterk mandaat oplevert. Maar wat zal dat mandaat dan precies inhouden? Hoever zal het reiken? Er wordt in ons land nu al druk gespeculeerd over het al dan niet voortbestaan van België, maar er wordt nauwelijks stilgestaan bij de problemen die een eventueel splitsingsscenario met zich kan meebrengen.

Daarom wil de Vooruitgroep dat de N-VA hieromtrent duidelijkheid verstrekt. Waarop zet ze in en hoever is ze bereid te gaan? Denkt ze er bijvoorbeeld aan om in navolging van de Slowaakse leider Meciar, haar eigen publieke opinie om te tuin te leiden door schijnbaar in te zetten op een federale of confederale hervorming, daarbij vervolgens dusdanige eisen te stellen dat de andere partij ze onmogelijk kán inwilligen, om een Franstalig ‘nee’ ten slotte te gebruiken als legitimatie voor een Vlaamse secessie?

Als de partij een zwaar mandaat vraagt aan de kiezer, heeft die kiezer het recht om bij voorbaat te weten hoe ver dit mandaat reikt!

Een volgende lastig punt is hoe welke hervorming dan ook binnen een wet- en regelgevend kader kan worden doorgevoerd. Als alles goed is, dan komt binnen de huidige legislatuur een toch al ingrijpende staatshervorming tot stand, de zesde sinds 1970. Dat is één hervorming om de zeven jaar!

Hoe groot is vervolgens de kans dat het zittende parlement alweer grote delen van de Grondwet, reeds onmiddellijk na een moeizame revisie, voor herziening vatbaar verklaart? Dat zou vanwege de partijen die nu de hervorming ondersteunen neerkomen op een schuldbekentenis, een erkenning dat de kritiek van de N-VA volkomen gerechtvaardigd is.

Dat is natuurlijk regelrecht politieke zelfmoord! De hervorming die de N-VA met een eventueel voldoende groot verkiezingssucces wil afdwingen zal er dus waarschijnlijk één zijn die zich buiten de legistieke kaders van normale Grondwetsherzieningen zal moeten afspelen. Dat zou het vermoeden bevestigen dat de partij afstand heeft gedaan van het evolutionaire model waarmee ze nog sussend uitpakt op haar website en gekozen heeft voor een institutionele revolutie.

Toch zal ze ook dan behoefte blijven hebben aan een akkoord met de andere gewesten en de andere grote taalgemeenschap in dit land. Dat geldt voor elk mogelijk scenario, of het nu om een federale of een confederale omwenteling gaat of zelfs om het verwerven van een volledige zelfstandigheid. Reeds eerder is gebleken dat het een illusie is te denken dat alleen Vlaamse vasthoudendheid voldoende is om de andere kant tot toegevingen te dwingen zonder daar ook zelf een prijs voor te hoeven betalen.

De BHV-tragedie heeft dat voldoende bewezen. De vijf minuten politieke moed bleken lang niet voldoende. BHV stond sinds 2007 in het politieke brandpunt. Een akkoord over splitsing is pas in 2011 bereikt, na meer dan vijf jaar, en natuurlijk heeft men wél een tegenprestatie moeten leveren.

Een akkoord zal ook nu maar mogelijk zijn als men ook rekening houdt met de zienswijze en verzuchtingen van de andere kant en dat betekent dat er hoe dan ook een compromis zal moeten worden nagestreefd. Juist met compromissen heeft de partij altijd al moeilijkheden gehad, onder meer omdat de nationalistische hardliners in hun kamp nooit tevreden zijn met minder dan 100%.

Het nationalisme heeft dat klimaat ook zelf versterkt door steeds tegen elk compromis te fulmineren en daarbij niet terug te schrikken om de Vlaamse partijen die het compromis aanvaardden te beschuldigen van postjesjagerij, tegen de Vlaamse belangen in. Deze opstelling heeft geleid tot een politieke cultuur waarin het begrip ‘compromis’ haast per definitie een vies woord is geworden, dat bijna automatisch synoniem staat met ‘koehandel’ en ‘zijn broek laten zakken voor de Franstaligen’.

Ook nu zal een duidelijke overwinning van de N-VA – als die er al komt – alleen niet voldoende zijn om de Franstaligen op de knieën te dwingen. Er zal ook recht gedaan moeten worden aan de verzuchtingen van het zuiden van het land. De N-VA doet er goed aan ook hier van tevoren duidelijkheid over te scheppen. Anders dreigt De Wever het slachtoffer te worden van een zelfgecreëerde mythe.

Als hij te principieel vasthoudt aan de eigen positie dreigt hij met lege handen achter te blijven; maar elke toegevingsgezindheid kan hem al snel van de ‘fundamentele’ nationalisten in zijn partij en van drukkingsgroepen als de VVB vervreemden. Het wordt dus sowieso een lastige oefening dansen – zonder vangnet nog wel – op het slappe koord van de Vlaams-Waalse belangenstrijd.

Binnen deze problematiek nemen vooral Brussel en de Brusselse rand een bijzondere plaats in. Een cruciale vraag is of de N-VA bereid zal zijn om ook Brussel en de Franstaligen in de rand een stem te geven in het hervormingsdebat en te aanvaarden dat zij mee hun eigen lot moeten kunnen bepalen. Men kan nu eenmaal deze bevolking geen oplossing door de strot duwen.

Waarom zou trouwens Vlaanderen wel recht hebben op zelfbeschikking en de Brusselse bevolking of de meerderheid van de bewoners van gemeenten als Kraainem, Wezembeek-Oppem en Sint-Genesius-Rode niet? Wat als deze bevolking ervoor kiest om niet meer tot Vlaanderen te behoren?

Tot nu toe blijft de partij zeer vaag over Brussel. In het beeld van een onderhandeling van ‘gemeenschap’ tot ‘gemeenschap’, waarbij elke taalgroep al een gewestelijk territorium ‘bezit’, wordt Brussel als wingewest door beide overige gewesten gekoloniseerd en wordt een bevolking van 1,1 miljoen inwoners de facto gegijzeld en geofferd aan de belangen en zienswijzen van de overige gewesten.

Of zal de partij Brussel uiteindelijk loslaten en overlaten aan de Federatie Brussel-Wallonië? De vraag is overigens of zelfs een onafhankelijk Vlaanderen Mechelen, Vilvoorde, Leuven of Aalst wel uit de Brusselse invloedssfeer zal kunnen houden. De grootstedelijke beïnvloeding van het hinterland is immers een complex gegeven, waarover Bart De Wever nog niet het eerste woord heeft gesproken.

De Wever zal voor het verwezenlijking van zijn project trouwens niet alleen de steun moeten verwerven van de Franstalig Belgen maar ook de medewerking moeten bekomen van de andere Vlaamse partijen en van (de meerderheid van) de Vlaamse publieke opinie. Zelfs al wekt hij de indruk dat hij als enige in naam van Vlaanderen als geheel kan spreken.

Het is weinig waarschijnlijk dat de N-VA alleen de Vlaamse meerderheid zal vormen. De Vlaams-nationale partij zal dus minstens op enkele andere politieke actoren moeten steunen om een Vlaamse meerderheidspositie te kunnen vertegenwoordigen. Bovendien is politieke steun waarschijnlijk alleen niet voldoende. Een staatsvormingsproces heeft behoefte aan een zeer breed draagvlak, dat bijvoorbeeld ook de vakbonden en het middenveld omvat.

De electorale strategie van de partij houdt een risico in voor haar manoeuvreerruimte daarna. Om bij verkiezingen plebiscitaire scores te behalen moet ze de tegenstellingen op de spits drijven door zich sterk in contrast met de traditionele partijen te profileren. Ze moet een dichotomie tot stand brengen tussen de partijen van het establishment en zichzelf als anti-establishment. Inzet van die strijd is het behoud of juist het doorbreken van de Belgische status quo.

De N-VA profileert zich als enige ware anti-establishmentskracht, die door de vastgeroeste Belgische kaders zal breken. De andere Vlaamse partijen duwt ze in het kamp van het establishment. Zij heten dan vooral bezorgd om hun eigen positie en macht. Het is dat hegemoniestreven dat zorgt voor een overdadige profileringsdrang, waarvan een zeer sterk polariserend effect uitgaat.

Dat kan leiden tot een situatie waarbij de N-VA zo groot is dat er geen opties meer zijn zonder haar, maar waarbij ze vervolgens moeilijk medestanders vindt. Het risico bestaat dat de N-VA een absolute blokkeringsmacht kan verwerven waarbij de instellingen niet zonder haar kunnen functioneren, maar vervolgens de zelf gelegde knoop niet meer kan ontwarren. Met andere woorden: juist de polariserende benadering door de N-VA zou wel eens dé factor van algehele verlamming kunnen zijn.

Deel 4. Risk management of wiegelied? Over Tsjecho-Slowakije en The Size of Nations

De Wever en co moeten dus duidelijk zijn over wat ze effectief willen gaan doen met het ‘mandaat’ dat ze de kiezer willen vragen. Zeker is dat ze ver zullen willen gaan in de ontmanteling van België. Het is bovendien waarschijnlijk dat ze beseffen dat een meerderheid van de publieke opinie, zelfs met een ‘plebiscietachtige’ electorale steun, niet zonder meer in dat ontmantelingsproces wil meestappen.

Daarin spelen naast principiële zeker ook rationele overwegingen mee. Die hebben onder andere te maken met inschattingen over eventuele risico’s. De N-VA en de Vlaams-nationale strekking in het algemeen ontkomen er dus niet aan om op zulke bezwaren in te gaan. De wijze waarop de partij dat tot nu toe heeft gedaan voorspelt weinig goeds. De N-VA neemt haar eigen Vlaamse publieke opinie niet au sérieux. Haar argumentatie probeert vrijwel altijd alleen maar de publieke opinie gerust te stellen, om zo de scepsis van de behoedzame Vlaming weg te masseren.

De argumentatie die in het verleden is gebruikt kan een zelfs fragmentaire kritische toets niet doorstaan. Aan echte risicoanalyse doet de partij niet. Om de haalbaarheid van de splitsing van een land aan te tonen wordt steevast bijna alleen naar het voorbeeld van Tsjecho-Slowakije verwezen.

Tegenover dat ene voorbeeld van een vreedzame en voor beide partijen uiteindelijk niet ongunstige scheiding, staan echter talloze problematische voorbeelden met soms dramatische politieke verscheurdheid: Joegoslavië uiteraard maar bijvoorbeeld ook Grieks en Turks Cyprus, Noord-Ierland of Baskenland.

Het Tsjechisch-Slowaakse voorbeeld is bovendien moeilijk te vergelijken met België. Om te beginnen was het vóór de splitsing niet al een EU-lidstaat zoals België. Verder kenden de beide landen slechts een kort bestaan als één politieke entiteit. Tsjecho-Slowakije ontstond immers pas na de Eerste Wereldoorlog als gevolg van het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije en is eigenlijk nooit een stabiele staat geweest.

Dat alles ligt toch wel anders voor België, waar binnen de Zuidelijke Nederlanden sinds de val van Antwerpen in 1585 grote delen van het huidige Vlaanderen en Wallonië in een politieke entiteit hebben samengeleefd. Tsjechië en Slowakije beschikten bovendien over stabiele en onbetwiste interne grenzen. Ze hadden geen stad of regio die als twistpunt kon gelden, zoals Brussel en het gebied eromheen. Elk gebied had met Praag en Bratislava een eigen centrum.

Brussel is in de tweestrijd tussen Vlamingen en Franstaligen een beetje wat Jeruzalem is in de strijd tussen Joden en Palestijnen. In beide gevallen gaat het om steden waaraan beide partijen een zeer groot belang hechten, om historische, symbolische en zeker ook economische redenen. Er zijn dus maar weinig argumenten om aannemelijk te maken waarom België eerder het voorbeeld van Tsjecho-Slowakije zou volgen en bijvoorbeeld niet dat van Cyprus.

Als voorbeeld van de lichtzinnigheid waarmee het Vlaams-nationalisme de risico’s van een onafhankelijkheidsscenario behandelt, citeren we even een kort fragment uit het document ‘Vragen over onafhankelijkheid op de website van de Vlaamse Volksbeweging. Op de vraag of dat onafhankelijkheidsstreven niet tot Joegoslavische, Baskische of Ierse toestanden zal leiden, antwoordt de VVB:

“Er zijn tal van voorbeelden die aantonen dat het ontstaan van nieuwe staten in geen geval met geweld gepaard gaat. De splitsing van Noorwegen en Zweden, van Tsjechië en Slowakije verliep fluweelzacht. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eveneens. Politieke of sociaaleconomische strijd gaat soms gepaard met geweld, maar de Vlaamse ontvoogdingsstrijd is anderhalve eeuw lang vreedzaam verlopen. De laatste fase ervan, die moet leiden tot een onafhankelijke Vlaamse staat, zal ook voltooid worden vanuit de kracht van het woord.”

Met “in geen geval” zal wel ‘niet altijd’ bedoeld zijn want het is niet moeilijk om aan te tonen dat er in veel gevallen juist wel geweld mee is gemoeid. Het bovenstaande voorbeeld van Noorwegen en Zweden is zo manifest niet van toepassing dat men hier ofwel van ongelooflijke naïviteit ofwel van bewuste manipulatie moet spreken.

Noorwegen werd immers na het uittreden van Zweden uit de Unie van Kalmar gedegradeerd tot een provincie van Denemarken. Het bleef onder Deense dominantie tot het in 1814 overging naar Zweden. Veel meer dan een personele unie onder één monarchie hield dit niet in. Noorwegen kreeg zelfs een eigen grondwet en verregaande zelfbeschikking, wat dus een hele vooruitgang was ten aanzien van de Deense periode. Noorwegen en Zweden vormden dus nooit één staatkundig geheel zoals het unitaire België.

Ook de bewering dat het uiteenvallen van de Sovjet-Unie “fluweelzacht” is verlopen, doet de werkelijkheid behoorlijk geweld aan. Er waren en zijn tal van wrijvingen en conflicten tussen en binnen vroegere Sovjetrepublieken, met name in de Kaukasus. Verder bestaan er in landen als Letland en Estland grote Russischtalige minderheden, die zich in hun taal- en cultuurrechten miskend voelen en de facto nog stateloos zijn. De voorbeelden die de haalbaarheid van het project moeten aantonen zijn dus misplaatst, evenals het bijna religieus aandoende geloof in de kracht van het woord.

Natuurlijk is de Vlaamse Volksbeweging de N-VA niet. Het onvermogen van die partij om, althans tegenover de publieke opinie, ernstig om te gaan met de risicofactoren moet echter niet onderdoen. Ook hier wordt vooral verwezen naar Tsjechië en Slowakije, niet alleen als voorbeeld van een vreedzame opdeling maar ook als voorbeeld dat beide delen daar beter van kunnen worden.

Het Nieuw-Vlaams Magazine van september 2007 – vóór de financiële crisis – bevat een artikeltje onder de veelzeggende kop ‘Splitsing bezorgt welvaart’. Daarin wordt dit ene voorbeeld gebruikt om tot de volgende conclusie te komen: “Het verhaal van Tsjecho-Slowakije toont aan dat scheiden beter is dan bij elkaar blijven uit gewoonte. Het einde van de Tsjechische transfers verplichtte Slovakije het roer om te gooien en te kiezen voor een markteconomie. Vandaag horen beide tot de meest welvarendste (sic) van de voormalige Oostbloklanden”.

Elke gelijkenis met België is beslist niet toevallig. Ook hier dus een Hollywoodiaans happy end zonder enige nuance. Inmiddels heeft de financiële en economische crisis er trouwens voor gezorgd dat de triomfantelijke zegetocht van de welvaartscheppende markteconomie ook in die landen behoorlijk averij heeft opgelopen.

Wat we zien is een sussende lichtzinnigheid die de complexiteit van het eigen project miskent en trouwens de eigen, Vlaamse publieke opinie elk potentieel van geïnformeerd kritisch burgerschap ontzegt!

Het voorbeeld van Tsjechië en Slowakije brengt ons op een tweede casus. Het betreft de argumentatie rond weer een ander mogelijk risico. De N-VA moet immers niet alleen ingaan op twijfels of haar onafhankelijkheidsproject wel vreedzaam zal verlopen, maar moet ook een antwoord bieden op de twijfel van velen of Vlaanderen wel groot en krachtig genoeg zal zijn om als zelfstandige staat door het leven te gaan.

Ook hier werden Tsjechië en Slowakije, althans voor het uitbreken van de financiële crisis, als voorbeelden gebruikt. Andere voorbeelden die – steeds voor het uitbreken van de crisis – werden genoemd, waren de Keltische tijger Ierland, de kleine Baltische republieken en zelfs IJsland, die in dezelfde periode eveneens hoge groeicijfers te zien gaven. Als die landen zo’n imposante groei konden laten zien, dan zou het onafhankelijke Vlaanderen daarvoor toch niet moeten onderdoen, zo suggereerde men.

De grote economische groei van juist kleine naties leek zelfs een wetenschappelijke onderbouwing te vinden in een werk van twee Amerikaanse economen van Italiaanse afkomst: Alberto Alesina en Enrico Spolaore. Ze publiceerden in 2003 het boek ‘The Size of Nations’. Dit boek vond onmiddellijk grote weerklank bij de N-VA en het Vlaams-nationalisme in het algemeen.

Op 11 juni 2005 was Spolaore zelfs te gast op een colloquium, ‘Vlaanderen staat voor Europa’. De Vlaams-nationale thesis leek hiermee een nieuwe, moderne, economische grondslag te vinden. Vlaanderen zou het als klein maar homogeen lid van de Europese Unie in een geglobaliseerde economie aantoonbaar beter gaan doen.

Alesina en Spolaore voeren aan dat kleinere naties in een geglobaliseerde economie steeds meer in het voordeel zijn. Voorheen hadden grote naties een schaalvoordeel (grotere interne markt, kleinere afhankelijkheid van het buitenland) dat opwoog tegen een grotere heterogeniteit.

In een geglobaliseerde markteconomie halen die grote naties geen schaalvoordeel meer ten aanzien van kleinere landen. Het zijn nu de kleintjes die voordeel halen uit hun grotere homogeniteit, waardoor ze bijvoorbeeld sneller en efficiënter kunnen beslissen. De economen stelden zelfs een formule voor om de heterogeniteitscoëfficiënt van een land te berekenen.

De nadruk van Alesina en Spolaore op homogeniteit en de relatie die ze leggen tussen homogeniteit en welvaartskansen kwamen voor het Vlaams-nationalisme als manna uit de hemel. De homogeniteitsthesis kon trouwens niet enkel worden gebruikt tegen het ‘kunstmatige’ België, waar twee taalgemeenschappen met hun talige en culturele verschillen moeten samenleven, maar uiteraard ook tegen de diversiteit die is ontstaan als gevolg van migratie.

Men kan zich zelfs afvragen of er ooit zoiets bestaan heeft als een homogene natie en of het niet veeleer om een mythische droom gaat. Vandaag de dag worden alle grote Europese steden trouwens gekenmerkt door superdiversiteit. Vanuit economisch perspectief zien Spolaore en Alesina verschillen eenzijdig als een kost. Vanuit een cultureel en democratisch perspectief kan men verschillen tussen (groepen van) mensen ook positief beschouwen. Ze maken net de levenskracht van een democratische samenleving uit.

De N-VA interpreteert het begrippenstelsel homo- en heterogeniteit trouwens nadrukkelijk in etno-culturele zin, terwijl er natuurlijk ook andere aspecten zijn die de heterogeniteit van een samenleving kunnen bepalen zoals politieke factoren, geloofsovertuigingen, grote verschillen tussen arm en rijk e.d.

Hoe dan ook, in de periode tussen 2003 en 2008 gebruiken de auteurs van ‘The Size of Nations‘ en in navolging ook de N-VA en het Vlaams-nationalisme als geheel de voorbeelden van o.a. Ierland, de kleine Baltische staten én IJsland steeds opnieuw als bewijs van hun stelling dat kleine landen door hun grotere homogeniteit doorgaans economisch beter presteren dan meer heterogene staten.

In het ‘Economisch plan voor ondernemingen, jobs en gezinnen’ van de N-VA lezen we bijvoorbeeld over het al bovengenoemde colloquium: “Op het N-VA-colloquium ‘Vlaanderen staat voor Europa’ (11 juni 2005, Vlaams Parlement) toonde Enrico Spolaore, professor Economie aan de Tufts University (VS) op overtuigende wijze aan dat de beperkte grootte van Vlaanderen geen hinderpaal hoeft te zijn in het streven naar onafhankelijkheid. De studie die hij samen met zijn collega Alesina schreef (The Size of Nations), maakt duidelijk dat kleine staten perfect gewapend kunnen zijn om in een open economie hun welvaart en welzijn te behouden en vergroten.

Met het voorbeeld van o.a. Ierland voor ogen (onderstreping Vooruitgroep), is de N-VA ervan overtuigd dat Vlaanderen inderdaad over alle nodige troeven beschikt om eigen (economische) keuzes te maken die het welzijn en de welvaart van zes miljoen Vlamingen veilig stellen.” Een bijdrage op de website van de Vlaamse Volksbeweging uit de jaren voor de crisis draagt zelfs als titel ‘Wat IJsland kan, kan Vlaanderen ook’.

Ondertussen weten we hoe het IJsland, Ierland en de Baltische staten is vergaan sinds 2008. Juist de voorbeelden die de thesis van de kleine, homogene landen moesten ondersteunen, zitten bij de landen die de allergrootste klappen kregen. Dit plaatst natuurlijk grote vraagtekens bij de stellingen uit ‘The Size of Nations. Het is duidelijk geworden dat hun economische opgang andere verklaringen had dan hun beperkte omvang en grote homogeniteit.

We mogen trouwens aannemen dat de N-VA tegenwoordig wat meer schroom zou tonen om Ierland als toonbeeld voor Vlaanderen te gebruiken. Het zal toch niet De Wevers ambitie zijn om Vlaanderen te laten aansluiten bij wat men de PIIGS-landen (d.w.z. Portugal, Ierland, Italië, Griekenland en Spanje) heeft genoemd? Na 2008 zijn de verwijzingen naar Ierland en andere papieren tijgers dan ook snel stilgevallen.

Dat alles sterkt de Vooruitgroep in haar overtuiging dat de N-VA lichtzinnig met haar bewijsvoering omgaat. Er worden alleen selectief voorbeelden gekozen die het eenzijdige splitsingsoptimisme ondersteunen, en die worden even vlug weer stiekem verzwegen zodra ze niet meer in het eigen kraam passen! De twee genoemde voorbeelden tonen dat de partij overdreven optimistisch is over het nut en de haalbaarheid van haar project en onvoldoende ingaat op de complexiteit ervan, althans op het publieke forum en in haar communicatie met de burgers.

Deel 5. Wel of geen ernstige risico’s? Wat supporter VIVES zegt

Toch kan het haast niet anders dan dat de N-VA zeer goed op de hoogte is van de risico’s van de onderneming. Het is bijvoorbeeld amper voorstelbaar dat de partij de rapporten van het Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving VIVES niet zou kennen. Dit onderzoekscentrum maakt deel uit van de KU Leuven en bestudeert regionale kwesties, met name vanuit een Vlaams perspectief. De studie-onderwerpen hangen rechtstreeks samen met de core business van de N-VA, van de transfers tussen Vlaanderen en Wallonië tot en met de politieke economie van het uiteenvallen en samenvoegen van landen.

VIVES heeft een speciale band met de Vlaamse patroonsorganisatie VOKA. Een groot deel van de oprichters en leden van de Raad van Bestuur hebben nadrukkelijk banden met het Vlaams-nationalisme en niet zelden rechtstreeks met de N-VA. VIVES is dus geen tegenstander van het Vlaamse project, zoveel is wel duidelijk.

Op 18 oktober, vier dagen na de overwinning van Bart De Wever in Antwerpen, publiceert VIVES in haar reeks ‘Briefings’ een kort rapport van de Antwerpse hoogleraar Erik Faucompret[2]. In zijn bijdrage analyseert Faucompret de mogelijke toekomstscenario’s in de verwachting dat “over twee jaar de Vlaams-nationalisten -dankzij hun charismatische leider – het politieke landschap zullen hertekenen”.

Faucompret verwacht – naar ons idee nogal gemakkelijk en snel (zie deel 1) – dat er zonder de N-VA wellicht geen federale regering kan worden gevormd en er zich dan drie mogelijke scenario’s voordoen: (a) een akkoord tussen Vlamingen en Franstaligen over een (nieuwe) hervorming van de federale staat, (b) de omvorming van België tot een confederatie en (c) Vlaamse onafhankelijkheid. Zelf staat hij maar kort stil bij het eerste scenario omdat het volgens hem niet veel kansen op slagen heeft.

Ook het tweede scenario acht hij weinig realistisch. Om te beginnen geeft hij een historische schets van confederale constructies uit het verleden, die leren dat confederaties gedoemd zijn om te mislukken en ofwel leiden tot een grotere eenheid (bijvoorbeeld in Zwitserland) of tot uiteenvallen. Zoals anderen al voor hem deden, stelt ook hij dat Vlaanderen en Wallonië slechts een confederatie kunnen vormen nadat ze eerst onafhankelijk zijn geworden.

Terecht vraagt hij zich af waarom ze dat dan nog zouden moeten willen? Dat confederaties geen gemeenschappelijke instellingen hebben en geen besluiten kunnen nemen die de burgers rechtstreeks binden, is overigens een aspect waarover men zelden het publiek informeert.

Inzake het confederale model is vooral de volgende vaststelling van Faucompret van belang: “Ik heb de indruk dat het woord ‘confederatie’ vaak wordt gebruikt door politici die streven naar de onafhankelijkheid van hun gebied maar die tegelijk schrik hebben om dit openlijk te bekennen omdat hun electoraat dit duidelijk een stap te ver vindt”.

Voorbeelden uit het recente verleden zijn Tudjman en Meciar die allebei verklaarden te streven naar een confederatie, maar daarmee alleen de onafhankelijkheid van hun regio inluidden, respectievelijk van Kroatië en Slowakije. Zou het kunnen dat de politici in Vlaanderen die zich profileren als aanhangers van het confederaal model, een gelijksoortige strategie hanteren als Tudjman en Meciar, en hun eigen publieke opinie trachten te misleiden door de ware inzet te verzwijgen?

Onthullend is vooral de analyse van Faucompret van het derde scenario, dat van de Vlaamse onafhankelijkheid, dat volgens Faucompret het enige ‘levensvatbare’ is. Daarbij doen zich overigens twee deelscenario’s voor: (a) een ordentelijke boedelscheiding met onderlinge toestemming (‘dismembratio’) en (b) een eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring door het Vlaamse parlement. Voorwaarde daartoe is natuurlijk dat er in dat Vlaamse parlement een meerderheid is voor dit verregaande besluit, bij voorbeeld doordat Vlaams Belang meestemt met de N-VA.

Faucompret bekijkt vooral de volkenrechtelijke gevolgen en de mogelijkheden tot lidmaatschap van de nieuwe staten van internationale organisaties, met name van de Europese Unie. Zijn analyse wijst in elk geval uit dat we niet van tevoren gerust mogen zijn over de goede afloop, in tegenstelling tot alle wiegeliederen die de N-VA en het Vlaams-nationalisme als geheel altijd over dit soort aspecten hebben gezongen.

Meer zelfs: Vlaanderen heeft bij een keuze voor onafhankelijkheid zijn eigen lot niet meer in handen, hoe contradictorisch dat ook moge lijken. We noemen hier enkele markante vaststellingen en uitspraken uit de bijdrage van Faucompret.

Om te beginnen stelt hij vast dat het internationaal recht (Handvest Verenigde Naties, Internationaal Gerechtshof) zeer conservatief is als het gaat om nieuwe staten. Een regio heeft eigenlijk niet het recht op eenzijdige afscheuring, tenzij er sprake is van onmiskenbare kolonisatie of onderdrukking.

Wel erkent het volkenrecht het recht op interne zelfbeschikking, waarbij een regio binnen een staat het recht op zelfbestuur kan krijgen, mits hij bovendien de rechten van minderheden erkent. Verder kan een afgescheiden gebied niet eisen dat de rechtspersoon van de reststaat verdwijnt. Anders gezegd: België blijft lid van de VN en van andere internationale instellingen, terwijl Vlaanderen een aanvraag tot toetreding moet doen.

Als dus Franstalig België de naam van België, de monarchie en de instellingen overneemt, blijft het gewaarborgd van deelname aan de internationale betrekkingen, terwijl dat voor een nieuwe Vlaamse staat niet zo is.

Volgens Faucompret heeft de Europese Commissie nog recent verklaard dat regio’s die zich afscheiden van een bestaande EU-lidstaat over hun toetreding tot de Europese Unie zullen moeten onderhandelen. Zowel bij een dismembratio als bij een eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring maakt de nieuwe staat (of maken de nieuwe staten) slechts kans op erkenning en toetreding tot internationale organisaties als ze het onderling volledig eens zijn.

Bij eenzijdige onafhankelijkheid maakt het nieuwe land slechts kans als de reststaat zich daar niet tegen verzet. Zo kan Turks-Cyprus geen lid worden van de VN en van de EU omdat Cyprus zich verzet en kan ook Kosovo niet deelnemen aan de internationale betrekkingen omdat Servië tegen is. Voortijdige diplomatieke erkenning als staat van een afgescheiden regio wordt bovendien beschouwd als inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van het land waarvan een regio zich afscheurt.

Een kandidaat-lid van een internationale instelling kan volgens de Antwerpse professor zijn lidmaatschap vergeten als een voldoende aantal lidstaten zich tegen die toetreding verzet. Voor de Europese Unie volstaat het dat één lidstaat niet akkoord gaat. Men zou kunnen opwerpen dat dit een theoretische kwestie is, en dat er zich in de praktijk weinig verwikkelingen zullen voordoen. Daar is het VIVES-stuk echter allerminst zeker van.

Er wordt verwezen naar landen zoals Spanje en Cyprus die zelf last hebben van afscheidingsbewegingen, die zich misschien wel tegen de erkenning zullen verzetten om precedentwerking te voorkomen. En verder is er natuurlijk nog de eventuele Belgische reststaat, waarvan allicht verwacht kan worden dat hij de steun van Frankrijk zal genieten.

Kortom: het beeld ziet er heel complex uit. Eigenlijk komt het er zowel bij dismembratio als bij eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring op neer dat er tussen de twee delen van het oorspronkelijke land een volledig akkoord moet zijn om een vlotte overgang mogelijk te maken op het gebied van deelname aan internationale betrekkingen. Dat betekent onder andere een akkoord over de grenzen tussen beide, over de verdeling van de staatsschuld en over de erkenning van de rechten van minderheden.

Op elk van deze aspecten staat een gunstig resultaat natuurlijk niet bij voorbaat vast. Wat de grenzen betreft kan er bijvoorbeeld betwisting bestaan over Brussel en de randgemeenten eromheen, met name ook over de faciliteitengemeenten, waar de Franstaligen inmiddels de meerderheid vormen.

Ook de verdeling van de schuldenlast zou een ingewikkelde zaak kunnen worden. Er bestaan hier eigenlijk geen bindende regels. Internationaal geldt alleen het principe dat de rechten van de schuldeisers niet mogen worden aangetast en de verdeling van de schulden in onderling akkoord moet worden vastgesteld.

De vraag is natuurlijk of er überhaupt een akkoord mogelijk is over de verdeelsleutel (bevolkingsaantal, welvaartsniveau, oppervlakte e.d. of combinaties van verschillende criteria). Binnen België bleek het al niet eenvoudig om de middelen te verdelen, omdat Vlaanderen en Franstalig België andere opvattingen hadden over de verdeelsleutel.

De verdeling van schulden dreigt zo mogelijk een nog grotere splijtzwam te worden, met grote gevolgen bovendien, omdat de hoogte van de erfschuld een sterke invloed kan hebben op de onmiddellijke economische perspectieven. Bij verdeling van gelden schoof Vlaanderen in het verleden altijd het voor Vlaanderen gunstige bevolkingsaantal als criterium naar voren, terwijl Wallonië de oppervlakte van het grondgebied benadrukte.

Het is duidelijk dat Vlaanderen met het aantal inwoners als criterium te winnen heeft als het om verdeling van middelen gaat, maar ineens niet meer als het de verdeling van de schuldenlast betreft.

Een laatste markant punt betreft nog de erkenning van minderheden. Stel dat alle grens- en schuldproblemen in onderling akkoord kunnen worden opgelost. Dan nog is erkenning als lid van de EU en andere internationale instellingen slechts mogelijk als de minderheden in hun rechten worden gerespecteerd. De EU zal bijvoorbeeld verwachten dat Vlaanderen het Minderhedenverdrag van de Raad van Europa bekrachtigt.

Misschien willen de N-VA en andere aanhangers van onafhankelijkheid dat wel, maar ze moeten er dan wel bijvertellen dat dit niet zonder gevolgen is. De Franstaligen in Vlaanderen zouden ineens meer rechten genieten dan ze nu hebben in de faciliteitengemeenten!

Artikel 4 van het genoemde verdrag luidt namelijk “De partijen zullen waar nodig geëigende maatregelen nemen om op alle terreinen van het economische, politieke en culturele leven, volledige en effectieve gelijkheid toe te kennen tussen personen die behoren tot een nationale minderheid en diegenen die behoren tot de meerderheid”.

Zo beschouwd heeft de strijd tegen de verfransing van het gebied rond Brussel meer baat bij het voortbestaan van België dan bij onafhankelijkheid. Het tegengaan van de verfransingsdruk dreigt er in elk geval niet eenvoudiger op te worden.

Als de Vooruitgroep de analyse van Faucompret goed heeft begrepen, dringt zich een wel heel bijzondere conclusie op, namelijk dat Vlaanderen voor elke hervorming, welke dan ook, altijd en steeds afhankelijk is van een volledig akkoord met het andere deel van het land.

Dat geldt natuurlijk voor een federale hervorming of voor de vorming van een confederatie, maar ook voor het onafhankelijkheidsscenario, zowel voor de vreedzame boedelscheiding met onderlinge toestemming als voor de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring. Franstalig België kan zich immers op het internationale recht beroepen om zich tegen de afscheiding te verzetten.

Het kan verder grenzen en schulden betwisten en het kan zich sterk maken voor de blijvende erkenning van de rechten van Franstaligen in een eventuele nieuwe Vlaamse staat. Immers: verzet tegen een afscheiding geeft aanleiding tot niet-toetreding van het nieuwe land tot internationale instellingen. Een principieel akkoord maar met betwisting rond grenzen, boedel en schulden, kan eveneens behoorlijk roet in het eten gooien.

Vlaanderen wordt dus afhankelijk van de instemming van de internationale gemeenschap en die is op haar beurt afhankelijk van de instemming van het andere landsgedeelte, zeker als dat kiest voor voortzetting van de bestaande internationale rechtspersoon. Zo houdt Franstalig België de sleutel van de Vlaamse ontwikkeling stevig in handen!

De conclusies van Faucompret – nogmaals: zelf een voorstander van het onafhankelijkheidsscenario – willen we de lezer niet onthouden:

“Zowel bij dismembratio als bij afscheiding is het dus van levensbelang dat er vooraf tussen de betrokken entiteiten een verdrag wordt gesloten. Dat moet o.a. gaan over het aantal onafhankelijke staten, de grenzen tussen de deelstaten, de rechten van minderheden en de verdeling van de schuldenlast” en verder:“om vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal te waarborgen, heeft een onafhankelijk Vlaanderen diplomatieke erkenning en lidmaatschap van internationale organisaties broodnodig.

Vlaanderen moet vermijden een soort Turkse Republiek Noord-Cyprus te worden (…) Daarom is objectief studiewerk over deze materie meer dan broodnodig, niet alleen omwille van de spanningen in België, maar ook in andere landen zoals Spanje of ruimer nog de Europese Unie.

Minstens even belangrijk is het dat het internationale juridische terrein grondig moet worden verkend. Het imago van een land is niet onbelangrijk in de internationale betrekkingen. Nieuwe negatieve rapporten van commissies van de Verenigde Naties of de Raad van Europa over Vlaamse decreten zijn daarom beslist te vermijden (onderstreping Vooruitgroep). Hier is een belangrijke taak voor de Vlaamse diplomatie weggelegd. De tijd dringt”.

Deze analyse kan waar of vals zijn, overtrokken of juist niet. Ze heeft in elk geval het voordeel duidelijk te zijn en ze is niet afkomstig van sceptici of van het Belgisch establishment.

Het laatste citaat verwijst verder naar eerdere problemen die Vlaanderen in internationaal verband heeft gekend ten aanzien van haar omgang met Franstaligen, bijvoorbeeld rond taaleisen in relatie tot vestiging van mensen in een gemeente, kopen of huren van woningen en dergelijke meer.

Als het waar is dat Vlaanderen dat soort betwistingen moet zien te vermijden, dan zou de Vlaamse dadendrang van N-VA-bestuurders in Aalst, Asse, Halle en andere gemeenten wel eens een lastige, complicerende factor kunnen betekenen voor het eigen kernproject van de partij!

Faucompret pleit voor een diplomatieke voorbereiding van het traject. Voor de Vooruitgroep is deze suggestie onaanvaardbaar. Diplomatieke vertegenwoordigingen kunnen niet worden ingezet om partijpolitieke belangen van één of enkele partijen te dienen. Dat zou trouwens een aanslag vormen op de democratische wil van de meerderheid van de bevolking. De keuze moet aan de burgers gelaten worden; en om te kunnen kiezen moeten de geïnformeerde burgers alle risico’s kennen.

Deel 6. Wat moet de burger weten om te oordelen? Onze pertinente vragen aan de N-VA

In het eerste deel van onze bijdrage stelden we dat wie een medicijn verkoopt de werking van het middel moet kennen en de consument moet informeren over mogelijke bijwerkingen en hoe die te voorkomen. De N-VA heeft nooit aan deze eis voldaan. Ze schetst een overtrokken optimistisch beeld van haar kernmissie en informeert de burger onvoldoende over wat ze van plan is te doen met het sterke mandaat dat ze hoopt te verwerven bij de volgende verkiezingen.

Als ze weet heeft van mogelijke complicaties zoals die in de bijdrage van VIVES, dan is dat optimisme ronduit een vorm van bedrieglijke reclame en misleiding van de (politieke) consument. De N-VA doet in dat geval denken aan een tabaksproducent die consumenten lokt door alleen maar positieve associaties op te wekken, terwijl hij drommels goed weet dat zijn product verhoogde gezondheidsrisico’s meebrengt.

Er is natuurlijk nog een hele weg te gaan. De Vooruitgroep dringt er bij de partij op aan dat ze de ‘consumenteninformatie’ bij haar politiek product op orde brengt en de kiezers vanaf nu informeert over haar doelstellingen, haar beoogde resultaten en de consequenties van een keuze voor hun partij. Dit is volgens onze groep een centrale voorwaarde binnen een échte democratie, die immers steeds uitgaat van geïnformeerd en geëngageerd burgerschap. Een blanco cheque hoort in dat democratische model niet thuis, evenmin als verborgen agenda’s.

Om de partij te helpen, leggen we alvast enkele prangende vragen voor en nodigen we haar uit om die op het publieke forum te beantwoorden. Het betreft stuk voor stuk aspecten die cruciaal zijn voor de wenselijkheid en haalbaarheid van het kernproject van de N-VA en volgens de Vooruitgroep van nu tot de verkiezingen centraal moeten staan in het maatschappelijk debat over de toekomst van ons land.

1. Op haar website beantwoordt de N-VA de vraag “Wil de N-VA het einde van België?” als volgt: “De N-VA wil geen revolutie en beoogt geen secessie. Wel streven we naar een evolutie naar meer democratische en meer efficiënte structuren. We willen daarbij stap voor stap gaan. We geloven in een graduele evolutie waarbij steeds meer bevoegdheden worden overgeheveld in de richting van Vlaanderen en Europa en waarbij het federale niveau geleidelijk aan verdampt. Ons einddoel is inderdaad een onafhankelijk Vlaanderen als lidstaat van Europa, maar de weg daar naartoe is geleidelijk en moet zich op een democratische manier voltrekken.”[3]

Dit roept bij de Vooruitgroep de volgende vragen op:

  • Beschrijft deze passage nog de intenties van de partij of is deze intentieverklaring inmiddels door de politieke ontwikkelingen achterhaald?
  • Sluit het niet-beogen van secessie elke afscheiding of onafhankelijkheidsverklaring uit, of is het toch zo dat de ontwikkelingen op het terrein, bijvoorbeeld bij onderhandelingen met Franstalig België, volgens de partij een eenzijdige stap noodzakelijk kunnen maken?
  • Wat bedoelt de partij precies met haar belofte dat de weg naar een onafhankelijk Vlaanderen als lidstaat van Europa zich op een democratische manier moet voltrekken?

Wat de laatste vraag betreft is het vooral belangrijk te weten wanneer volgens de partij het democratisch draagvlak groot genoeg is om tot volledige onafhankelijkheid over te gaan? Is dat alleen afhankelijk van een parlementaire meerderheid of moet er ook een aantoonbaar draagvlak zijn in de civiele maatschappij, bijvoorbeeld bij werkgeversorganisaties, vakbeweging, sociaal-cultureel middenveld en de burgers zelf?

Hoe groot moet een politieke meerderheid zijn om die onafhankelijkheid democratisch af te dwingen? Volstaat een gewone meerderheid van 50 procent plus één of is een breder draagvlak nodig? Vindt de N-VA eventueel een positie van sterkste partij van Vlaanderen, die beschikt over een blokkeringsminderheid, al voldoende legitimiteit verlenen om de onafhankelijkheid van Vlaanderen af te dwingen?

Vreest de partij niet dat haar polariserend optreden, met name op sociaal-economisch gebied op de as tussen rechts en links, afbreuk kan doen aan het noodzakelijk maatschappelijk draagvlak voor haar kernmissie en die daardoor uiteindelijk in gevaar kan brengen?

2. Het is inmiddels een publiek geheim dat de strategie-2014 van de N-VA erin bestaat om bij de volgende Vlaamse en federale verkiezingen zo groot te worden dat de partij werkelijkincontournable wordt en de macht verwerft om de werking van de instellingen te blokkeren, om op die manier verregaande hervormingen af te dwingen.

Hoe verhoudt deze intentie zich tot de antwoorden op de vorige vraag? Zal de N-VA een precies mandaat vragen aan de kiezer en binnen welk van de drie volgende modellen zal dat mandaat zich situeren: (a) een verdergaande hervorming van de federale staat om aldus de Copernicaanse omwenteling (sic) tot stand te brengen, (b) de omvorming van het federale België tot een confederatie of (c) een mandaat voor volledige Vlaamse onafhankelijkheid?

Heeft de kiezer volgens de partij het recht om de inzet van het gevraagde mandaat precies te kennen alvorens de partij in het stemhokje het mandaat toe te kennen of te onthouden?

3. In het geval er ingezet wordt op een confederaal model, denkt de N-VA dan aan eigen lidmaatschap van de staten die de confederatie uitmaken van internationale organisaties, met name van de VN en de Europese Unie of aan vertegenwoordiging via de bond?

4. In het geval er ingezet wordt op een confederaal model of op volledige onafhankelijkheid – nu of later –, is de N -VA bereid om internationale verdragen zoals het Minderhedenverdrag van de Raad van Europa te ondertekenen en deze minderheidsrechten ook effectief te waarborgen, met name waar het gaat om de Franstaligen in Vlaanderen?

  • Indien nee, vreest men dan niet dat dit negatieve gevolgen kan hebben voor de erkenning van Vlaanderen door de internationale gemeenschap en bovendien afbreuk doet aan het imago van onze regio?
  • Zo ja, waarom worden deze rechten dan nu niet erkend? Rechten zijn toch geen koopwaar voor het bereiken van politieke doelen?

5. Hoe kijkt de N-VA aan tegen het recht van andere territoriale entiteiten om mee hun eigen lot te bepalen?

  • Aanvaardt de partij dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest volwaardig kan meespelen in onderhandelingen over een (con)federale hervorming of, a fortiori, over de splitsing van het land?
  • Erkent de N-VA het recht van de faciliteitengemeenten in de Brusselse Rand, waar inmiddels een meerderheid Franstalig is, om zich in het geval van een secessie van Vlaanderen van België, op hun beurt van Vlaanderen af te scheiden? Indien nee, waarom heeft Vlaanderen wel recht op zelfbeschikking en andere entiteiten niet?
  • Hoe schat de N-VA bij een eventuele splitsing van het land de kansen in dat Brussel akkoord gaat met een voor de N-VA aanvaardbare oplossing, zoals een gezamenlijk bestuur door Vlaanderen en Wallonië. Wat als Brussel voor een andere oplossing opteert, bijvoorbeeld voor het behoud van een reststaat België met het Waalse Gewest? Wat betekent dat voor de economische ontwikkelingskansen van Vlaanderen, gegeven het feit dat de Brusselse regio zo’n 22 procent van het BBP van België voor zijn rekening neemt?

6. Hoe zal, bij welk type hervorming dan ook (federaal – confederaal – volledige onafhankelijkheid) die een splitsing van het sociale zekerheidsstelsel inhoudt, de opbouw van een eigen Vlaams stelsel eruit zien? Kan de Vlaamse burger een soortgelijk publiek stelsel tegemoet zien met een vergelijkbaar of beter niveau van sociale bescherming of denkt de N-VA aan een andere invulling, bijvoorbeeld door een gedeeltelijke privatisering via het commercieel verzekeringswezen?

7. Hoe groot acht de N-VA de kans dat een nieuwe, langdurige onderhandelingsronde over de hervorming van de staatsstructuren in welk model dan ook, tot negatieve gevolgen kan leiden, met name op sociaal-economisch gebied, bijvoorbeeld door besluiteloosheid, internationale speculatie tegen ons land, imagoschade bij potentiële investeerders en dergelijke meer? Wat is het plan van de partij om zulke neveneffecten te voorkomen of tot een minimum te beperken?

8. Deelt de N-VA de analyse van prof. Faucompret dat in welk hervormingsmodel dan ook een voorafgaand akkoord met Franstalig België noodzakelijk is om schade in de internationale betrekkingen van België of zijn erfopvolgers te voorkomen? Hoe denkt de N-VA een dergelijk akkoord tot stand te brengen? Worden er daartoe nu al contacten gelegd?

9. Legt de N-VA contacten met andere landen en internationale organisaties zoals de Europese Unie en de Verenigde Naties om de aanvaardbaarheid van hervormingsmodellen door de internationale gemeenschap te toetsen? Met welke resultaten?

10. Is de N-VA bereid om de burger zelf rechtstreeks bij de keuze van de staatsvorm te betrekken, bijvoorbeeld door een referendum vooraf over de staatsvorm en ook achteraf door een confirmatief referendum over de tekst van een nieuwe Grondwet?

We zijn benieuwd.

De Vooruitgroep is een informele groep van academici, kunstenaars en publicisten die zich zorgen maken over de toenemende verrechtsing van het politiek klimaat en de daarmee samenhangende verschraling van het democratische besef, vooral in Vlaanderen. De groep ijvert voor het herstel van een democratische cultuur gebaseerd op geïnformeerd en betrokken burgerschap, in de lijn van het verlichtingsdenken.

De Vooruitgroep definieert zich als links en wil bijdragen aan de heropbouw van een linkse, democratische tegenkracht in België. Vanuit de overtuiging dat de financiële en materiële middelen van mensen bepalend zijn voor hun sociaal-culturele ontplooiingsmogelijkheden, pleit de groep voor een beleid dat maximaal herverdelend werkt en mindergegoede en gemarginaliseerde groepen in de samenleving ondersteunt en helpt macht verwerven.

De groep gelooft dat solidariteit tussen Wallonië en Vlaanderen een links project kan versterken en voelt zich verbonden met Brussel als wereldstad met een grote diversiteit aan talen en culturen.

Voor de Vooruitgroep ondertekenden mee: Johan Van Hoorde, Eric Corijn (VUB), Rik Pinxten (UGent), Ico Maly (KifKif), Karim Zahidi (UA), Pascal Debruyne (UGent), Koen Dille (lid RvB Masereelfonds), Piet Saey (UGent), Linus Vanhellemont (VUB – Università Milano-Bicocca), Leen Van der Vorst (Victoria Deluxe), Lieven De Cauter (KULeuven), Jan Blommaert (U Tilburg), Francine Mestrum (ULB), Dominique Willaert (Victoria Deluxe), Stijn Oosterlynck (KULeuven – UA), Maarten Loopmans (KULeuven), Monika Triest, Chris Kesteloot (KULeuven), Herman De Ley (Ugent), Eric Goeman (Attac Vlaanderen -Democratie 2000), Erik Swyngedouw (Manchester University), Dirk Tuypens (acteur), Anneleen Kenis (KULeuven), Bambi Ceuppens (KMMA), Anja Van Rompaey (ULB).

  • [^ 1] Deze geliefde metafoor in de Vlaamse politiek maakt eigenlijk een foutieve vergelijking. Peeters, De Wever en co doelen op een werkelijke verandering van de verhouding tussen het federale niveau en de deelstaten. De omwenteling van Copernicus – waarbij het gevestigde geocentrisch wereldbeeld plaats moest maken voor een een nieuwe heliocentrische opvatting – veranderde echter niets aan de werkelijkheid, alleen aan onze opvattingen hierover.
  • [^ 2] Zie http://www.econ.kuleuven.be/VIVES/publicaties/briefings/briefings
  • [^ 3] Zie: www.n-va.be/wil-de-n-va-het-einde-van-belgië

Externe links